Ijsland – de finale

     IMG_20150531_135353 Met enige weemoed keek ik naar de skipistes in de heuvels van Akureyri, die mijns inziens nog met meer dan genoeg sneeuw voorzien waren, maar ook daar was het seizoen reeds een paar weken afgesloten. Spijtig – dit was een niet alledaagse plaats geweest om op de latten te staan! Afin, de dag na het bezoek aan de noordelijkste stad van Ijsland stond in het teken van een flinke rit, die stilaan – helaas! – terug naar het zuiden zou afbuigen.

Omdat ik een goeie tip had gevonden op een blog ging het eerst richting Grettislaug, wat zowat het noordelijkste punt van onze reis ging worden op een kleine 100 km van de poolcirkel en gelegen aan de Groenlandzee. Of we ginder gingen overnachten was nog een vraag, gezien we niet wisten of de plaatselijke “camping” – een weide in een godvergeten gat, enkel bereikbaar via een lange gravel road – reeds open was, maar het vooruitzicht om ter plaatse te kunnen gebruikmaken van de spotgoedkope hot pool (dat hete water komt daar zomaar uit de grond, zoals op zovele plaatsen in Ijsland) leek ons toch een leuk vooruitzicht. Ter plaatse bleek de accommodatie – er was ook een kleine guesthouse – nog maar nét operationeel, en de snijdende ijskoude wind maakte dat we toch maar een eindje doorreden naar iets rustiger oorden. In het prachtige Hrútafjörður vonden we de ideale overnachtingsplaats, inclusief gratis hot pools (!) en met dank aan Lonely Planet, en waren we weeral een flink stuk gevorderd voor de laatste etappes richting Snæfellsnes.

Dit grootste schiereiland van Ijsland had alleszins nog een heleboel te bieden. Zo was er uiteraard de obligatoire passage voorbij de Kirkjufell, die u misschien al een eerder op prentjes hebt gezien, en vorderden we daarna flink door naar de Snaefellsjökull die ons voor de laatste keer zou doen kennismaken met een gletsjer. Helaas … Ook daar waren een groot deel van de bergwegen nog niet vrijgemaakt en bleef het dus bij fenomenale vergezichten ergens op de sneeuwgrens. Daarentegen maakten we kennis met het alleraardigste mos – waar gij u zo op kunt neervlijen – ergens in een lavaveld (hoe kan het ook anders!) en waar het schijnbaar een ideale wildkampeerplaats bleek te zijn, daar de beste plaatsen, aan de rivier, reeds ingenomen waren. Om zeker te zijn dat we de dag nadien op tijd Reykjavik zouden bereiken hebben we dan toch maar geopteerd voor een camping op het zuiden van het schiereiland, en waar ik – aan het vriendelijke Nederlandse koppel, dat naast ons de tent opsloeg – bewezen heb dat ik soms ook sociaal kan zijn (en dat viel best mee; de vakantiestemming zal er voor een en ander tussen gezeten hebben veronderstel ik :-))

Om toch nog even van het prachtig natuurschoon te genieten alvorens terug de stad in te trekken, werd er nog een omweg gemaakt via het binnenland, waar we in stralende zon de  Barnafoss bezochten, en ik nog een poging deed om via een bergweg en een aantal gletsjers richting de hoofdstad te trekken, maar waar wewederom helaas – rechtsomkeer dienden te maken bij een stel sneeuwruimers die nog een boel werk voor de boeg hadden.

De rit naar Reykjavik was “uneventful” en het was zelfs iets of wat spijtig om terug in de “bewoonde wereld” terecht te komen. Een toch wel gezellige stad, dat Reykjavik, waar een flinke brok cultuur kan gecombineerd worden met de betere Ijslandse cuisine en waar we zowaar de Ijslandse president tegen kwamen, want wie anders rijdt er rond met een dikke zwarte bak met Ijslandse nummerplaat “1”? De dag werd besteed met sightseeing en de aankoop van wol, een paar schapen waard, en waar Penelope haar bagagequota flink op had voorzien.

Ze had ‘t dan ook verdiend, gezien ik haar bij deze, met trots, de medaille van moed, zelfopoffering en ijskoud kamperen mag aanbieden, zeker omdat ze tot nu toe slechts één keer gekampeerd had en dan nog wel in het zomerse Frankrijk. Een flinke prestatie! Het had dan ook gerust een stuk langer mogen duren, en wellicht komen we hier nog eens terug – er is hier nog zoveel te zien! Een ander record werd dan weeral gevestigd toen ik de dag na onze terugkeer op het werk aankwam, en mijn vakantiesfeer ditmaal binnen de 15 minuten volledig verdwenen was, waar dat vorig jaar nog een uurtje had geduurd. Maar dat is een ander verhaal. Afin, om te besluiten: Ijsland – dat moet ge doen!

https://www.flickr.com/photos/middernachtsdromen/

Ijsland! Deel 3

IMG_20150528_122950-PANO

Ik ging er maar van uit dat er toch ergens op onze route nog een winkeltje met kampeermateriaal zou te vinden zijn, want de nacht, op een zachtjes aflopende matras, was toch maar aan de frisse kant geweest. Na het afbreken van de tent – waar we ondertussen erg vlot in werden – werd koers gezet richting Jökullsarlon, waar het gletsjermeer met rondrijvende ijsbergen (-jes) spektakel beloofde. Waarlijk wonderlijk om zien, en in de buurt ligt er nog een minder druk bezocht, quasi identiek, gletsjermeer – Fjallsárlón – dat een parochie eerder ligt en met zijn fenomenale stilte mijn hart onmiddellijk bekoorde. In dezelfde contreien vindt ge ook de Flaajökull alwaar gij – jochei! – over een hangbrug tot aan de voet van de gletsjer kunt geraken. Toch was ik dit keer meer dan tevreden dat ik een dure koffie kon slurpen in de drukke “cafetaria” van Jökullsarlon waar ik dan toch even via de wifi kon kijken of ik nog ergens aan een nieuwe matras kon geraken, en het moest toch weeral eens lukken dat dit in onze volgende stop – de “stad” Egilsstadir – voor mekaar zou komen.

Via een stuk van de prachtige Oost-fjorden ging het over de Öxi-pas – een aanradertje voor de sportievere chauffeurs onder ons – naar het eerder vernoemde Egilsstadir, waar gij godbetert hele bossen kunt terugvinden. Niet het soort van dichte wouden zoals wij deze kennen – eerder een uit de hand gelopen collectie kerstbomen – maar toch een aanwijzing dat de Ijslanders de herbebossing van hun eiland meer dan ernstig nemen. Gezien de kampeerwinkel gesloten was, en we aan elkaar grif toegaven dat de koude van de laatste dagen toch ietwat in de botten gekropen was, besloten we die nacht in een guest house door te brengen. Dankzij het feit dat we nog in het laagseizoen waren viel de prijs al bij al mee voor een dubbeltje met gedeeld sanitair (75€), daar waar die prijs, een aantal weken later, vlot naar de 140€ schiet. Ge kunt het de Ijslander daarentegen ook niet echt verwijten gezien zij hun winsten uit drie maanden hoogseizoen moeten halen. Het deed alleszins deugd om een hete douche te nemen en te slapen tussen verse lakens op een gloednieuwe kamer mét verduisterende gordijnen!

De volgende stop lag dan weeral een paar honderd kilometer verder – nadat gij door een maanlandschap rijdt waar gij niks, maar dan ook niks (!) tegenkomt – en bevond zich rond het Myvatn meer, welk bekend staat vanwege zijn geothermische “activiteiten”. Ook hier IMG_20150527_152207hebben we flink wat lol beleefd aan de fumarolen, solfataren en andere hete modderpoelen, en de “geur” van de hete dampen namen we er – met temperaturen rond het vriespunt – graag bij! Deze plek was zowat de enige plaats op onze reis die nog niet helemaal doorhad dat de lente weeral begonnen was. Ook de Sellfoss, die we op de weg naar hier bezochten lag nog onder een dik deken van sneeuw. Een aardigheidje in deze omgeving is Grjótagjá, dat tot voor kort quasi onbekend was, maar nu hele drommen toeristen trekt omdat Jon Snow hier Ygritte alle hoeken van deze grot liet zien. Dit is dan ook de omgeving die figureerde in “Game of Thrones” als “beyond the wall” en ik kan enkel beamen dat deze locatie perfect is. Die nacht kreeg onze tent nog ijsregen en sneeuwnaalden te verduren, en waren we maar al te blij dat we onszelf te week kondenIMG_20150527_203354 leggen in de Jarðböðin við Mývatn (Myvatn Nature Baths) wat zo ongeveer hetzelfde is als de beruchte Blue Lagoon, maar minder druk en bovendien een stuk goedkoper. Een klein akkefietje met de douches die door een defect plots koud water spoten, en een Penelope in topvorm die nogal goed kan onderhandelen ter compensatie, maakten dat we de dag nadien nog eens “voor niets” in de warme poelen konden drijven, nadat we een stevige wandeling maakten naar de kraterrand van de Hverfjall, alvorens richting Akureyri te trekken. Die andere fameuze krater en landmark – Viti – was helaas volledig dichtgesneeuwd …

Vooraleer we in de tweede stad van Ijsland aankwamen werd er nog eens gestopt bij de GodafossIMG_20150528_171720  – weeral een prachtige waterval – alvorens naar de stad te trekken en toch maar weer eens voor de plaatselijke jeugdherberg te kiezen, waar we voor een schappelijke prijs in een piepkleine kamer de nacht konden doorbrengen. Niet dat we niet wilden kamperen, maar de camping was simpelweg leeg, en het leek ons beter om een uitvalsbasis te hebben die iets korter bij het stadscentrum lag.

IMG_20150529_115648Akureyri, dat al tot mijn verbeelding sprak sinds Kuifje er met de Aurora aanlegde, is zowat het kruispunt van het noorden van het eiland en was eigenlijk best een gezellige stad te noemen, hoe klein deze plaats naar onze normen wel was. Ook zal je hier hele kuddes aangespoelde Amerikaanse bejaarden tegenkomen vanwege de vele cruiseschepen die hier aanleggen. Spijtig dat er in de botanische tuin nog niet teveel te beleven viel, maar de “lentezon” en de “exotische” vliegtuigen die van hier naar Groenland vertrekken (knalrode Twin-Otters!) maakten veel goed. Bovendien verstuurde ik voor het eerst in lange jaren postkaarten, en niettegenstaande we hier in de buurt van de poolcirkel toefden, waren ze reeds op het thuisfront gearriveerd alvorens wijzelf terug waren. Een bank vooruit voor de Ijslandse post!

Wordt vervolgd!

Ijsland – het vervolg!

    IMG_20150525_112646-PANO(1)Onze tent had de regenachtige nacht goed doorstaan en gezien we over goede slaapzakken beschikken waren de lage temperaturen geen punt, behalve dan dat mijn matje was leegelopen en ik tegen de ochtend toch wakker werd met een kil gevoel in de botten. Het blijft wel wennen om met een muts te slapen en bijzonder interessant om “in het midden van de nacht” op te staan – om te waterizeren – en vast te stellen dat er quasi geen verschil is met de klaarlichte dag. De vogels fluiten gewoonweg door en de zon verwijnt maar even achter de horizon. De poolcirkel lonkt.

Wederom stond er een drukke dag op het programma, waarbij eerst richting Skogafoss werd getrokken – ook weeral zo’n fameuze waterval – om vervolgens het plaatselijke volksmuseum te bezoeken en zo ook al een stuk historie mee te krijgen. Beide zijn zeer de moeite en gelukkig hadden we voldoende tijd uitgetrokken voor het museum, niettegenstaande er nog een flink stuk gereden moest worden. Eerst kwam de vuurtoren op de rots van Dyrhólaey aan de beurt, waar er normaal gezien vele papegaaiduikers nestelen – en we gingen eigenlijk enkel en alleen voor de papegaaiduikers – maar ditmaal zat de rots vol met gewone meeuwen. Waar we niet op hadden gerekend was het wondermooie panorama bovenop de rots, met zicht op de zwarte stranden, de Eyjafjallajökull (jawel, dé Eyjafjallajökull – wij kunnen dat zelfs uitspreken) en de Reynisdrangar (basaltzuilen) op het even zwarte strand van Vík í Mýrdal, wat onze volgende stop was.

Ook op dit – prachtige – strand worden hele busladingen toeristen verstrooid die zich, statief en selfiestick in de aanslag, voor de eigenaardige basaltkolommen verdringen, net om de hoek bij de parking. Het volstaat echter om 100 meter verder te lopen om dezelfde formaties te zien en u te vergapen aan het natuurgeweld van de Atlantische Oceaan en u te verbazen over dit landschap dat zowaar van een andere planeet zou kunnen komen. Een Ijslandse cappucino, overbelaste wifi en een duur stuk chocoladetaart verder, trokken we naar Vík í Mýrdal zelve, alwaar wij nog dienden te tanken voor de volgende etappe die naar het nationale park van Skaftafell zou leiden.

Onderweg naar Skaftafell hielden we halt bij een van die minder bekende “hidden gems” van Ijsland om nog een korte wandeling te maken in – alweer – een formidabel landschap. Het betreft hier de canyon van Fjaðrárgljúfur (probeer dat eens driemaal na elkaar te zeggen). Relatief eenvoudig om te vinden maar de weg naar deze canyon is een gravelbaan vol putten en bulten, bezaaid met flinke keien, zodat we toch maar blij waren dat we hier niet met een gloednieuwe Toyota Aygo of andere schoenendoos op wielen waren. Toch zijn er mensen, en dat viel ons meermaals op, die een kleine goedkope wagen huren en dan toch proberen op wegen te rijden die normaal gezien enkel geschikt zijn voor 4×4’s, met alle gevolgen van dien wanneer achteraf de kleine lettertjes van het huurcontract onder de loep genomen worden. Zelf hebben we een aantal (stukken) van zogenaamde F-roads uitgeprobeerd (die al open waren) en ik kan u verzekeren dat ge daar met uw eigen wagen niet wilt komen en gij uzelve prijst voor de extra gravel protection en super damage waiver die gij gekozen hebt. Het moest maar eens verkeerd lopen … Wel enorme fun wanneer gij houdt van wat extra uitdaging bij het sturen en voor mijn part mag het zelfs meer van dattum zijn.

Bij het bezoeken van deze canyon – want ik wijk af – werden we nog op een ander aspect van Ijsland gewezen, waarbij het ons opviel hoe “open” de attracties zijn. Waar gij in de US of A alles van achter veilige borstweringen vol met disclaimers kunt aanschouwen zijn er hier veel plaatsen waar gij open en bloot tot bij al het natuurschoon kunt wandelen zonder ook maar tegengehouden te worden door één schutting. Het was dan ook totaal onverantwoord om mensen op het randje van deze ongeveer 100 meter diepe canyon te zien balanceren met – jawel – hun statief. Dat er hier niet meer de diepte zijn ingetuimeld, zeker bij de windvlagen die hier heel normaal zijn, mag dan ook een wonder heten. Alleszins een aanrader die Fjaðrárgljúfur- want ik week weer af – en het is best mogelijk om daar mooie foto’s te maken zonder uw nek te breken.

Goed geluimd, want de zon scheen, ging het vervolgens naar Skaftafell, wat voor mij persoonlijk toch een hoogtepunt diende te worden. In deze tijd van het jaar is het nationaal park nog niet al te druk bezocht en zou het dus fijn hiken worden naar de top van de Kristinartindar waar ge vanop zo’n goeie 1000 meter een fenomenaal zicht hebt op de Skaftafellsjökull (een gigantische gletsjer) en nog een heleboel even fenomenale gletsjers met al even fenomenale namen daaromheen. Op de weg naar het park rijdt gij door de Skeiðarársandur wat een onaards landschap is met aan de ene kant majestueuze gletsjers en aan de andere kant tientallen kilometers “niets” tot aan de oceaan. U merkt het aan mijn gebruik van superlatieven; ik was flink onder de indruk! De tent stond snel recht, niettegenstaande onder het mooie en lege grasveld keien en rotsen schuilden, en de van thuis meegebrachte “stevige” haringen goed hun dienst bewezen.

Waar ik mijn routeplanning met militaire precisie had ontworpen (locatie van tankstations, supermarkten, …) had ik over het hoofd gezien dat we op een zondag gingen aankomen in Skaftafell en ik helemaal geen stop had voorzien in een “deftige” supermarkt. Daar het park werkelijk in the middle of nowhere gelegen is en gij minstens 100 km dient te rijden alvorens een nederzetting, die naam waardig, tegen te komen, zat er niets anders op dan onze maaltijd bij elkaar te zoeken in het tankstation dat net buiten de camping gelegen was – op de camping waren de faciliteiten ook minimaal – en die avond schafte de pot een interessante – en best smakelijke – mix van bonen in tomatensaus, tonijn, rijst en nachosaus om er een pikante toets aan te geven.

Die “nacht” hoorde ik voor het eerst het baltsen van de snip en gezien ik geen beschikking had over wifi hield dat beest me niet alleen uit de slaap maar kon ik haast mijn muts opvreten omdat ik die vogel niet onmiddellijk kon identificeren (zo ben ik nu eenmaal). Daarentegen was het gebrek aan slaap ook te wijten aan een plat matrasje en deze keer kon ik niet anders dan vaststellen dat het zijn beste tijd had gehad. Wel een probleem met de koude ondergrond en uiteraard vind je daar niet zomaar een outdoor shop … Ik liet echter mijn plezier niet vergallen, ook al was de top van de Kristinartindar niet bereikbaar vanwege de dooi, maar de wandeling tot ongeveer driekwart hoogte van de berg – super panorama en oorverdovende stilte – alsook de afdaling via Svartifoss maakten mij een happy camper – letterlijk. Die avond werden er weer bonen, tonijn en rijst gegeten, sliep ik plat op de grond en vroeg ik mij af hoe die vogel heette die het geluid maakt van een kapotte stofzuiger …

Binnenkort meer!

Ijsland!

Het is eens iets anders wanneer gij des ochtends uw tent opentrekt en – in plaats van uw zonovergoten croissants te scoren – onmiddellijk nagaat of uw tent het wel gehouden heeft in de voorbije nacht. Hangt alles nog vast? Geen lekken? Was dat sneeuw vannacht? Want zo gaat dat wanneer gij voor één keer niet in het Zuiden maar in het hoge noorden kampeert en dan nog wel in de korte flits die ginder “lente” heet maar eerder op een doorsnee Vlaamse maand februari lijkt.

De vlucht naar Ijsland was uneventful en wat mij betreft is Icelandair best een aardige maatschappij. Sneller dan ik eigenlijk had verwacht stonden we reeds in Keflavik alwaar de zon scheen (ha!) en waar de koude lucht zo zuiver is dat ge deze bijna kunt knabbelen. Daar we geen tijd te verliezen hadden ging het op een drafje – met een zware rugzak, waarbij mijn rug mij er aan herinnerde dat het jaren geleden was dat ik nog backpacker was geweest – naar het autoverhuurbedrijf alwaar ik een klein tweedehands (die prijzen!) viertrekkertje had gereserveerd om vervolgens fluks richting Reykjavik te rijden. Neen, wij zijn niet eerst naar de Blue Lagoon getrokken – dat is een grote tourist trap, en wij hadden een alternatief waarover later meer – maar eerder richting kampeerwinkel om een extra grondzeil en hamer te kopen, gezien het nogal onnozel leek om een hamer mee te sleuren in onze baggage, en vervolgens naar een supermarkt om onze eerste lading proviand in te slagen, want wij gingen uiteraard zelf koken – zo niet zou het geen echte kampeertrip zijn.

De kilometers tussen Keflavik en de hoofdstad zagen er lichtelijk onheilspellend uit. Een pokdalig maanlandschap waar geen boom te bekennen valt en gij u onmogelijk voor wind of regen kunt verschuilen. Het was dan ook een opluchting om vast te stellen dat Reykjavik best een groene stad is (er stond alleen nog geen blad op de bomen) en de stadscamping enorm goed mee viel. De temperatuur kwam niet boven de 6° uit, maar in de zon viel het best mee. Het was dan ook verwonderlijk om een eerste keer met het snel veranderende Ijslandse weer kennis te maken en diezelfde nacht geen oog dicht te doen vanwege de slagregens die onze tent tormenteerden. Fijn om de volgende ochtend, koud, miezerig en grijs, vast te stellen dat onze tent uit het juiste zeil gesneden is.

Nu moet gij u voorstellen dat er op Ijsland een ringweg loopt, en dat de zo goed als de enige grote geasfalteerde baan is, of toch voor een groot stuk, en de vele attracties en wonderen der natuur her en der rond deze ringweg verspreid liggen. Gij kunt kiezen of ge deze Þjóðvegur wijzer- of tegenwijzerzin volgt – wij deden het laatste, en zowat iedere toerist zal ook deze zelfde weg volgen. Aldus stond onze eerste dag in het teken van de zogenaamde “Golden Circle” welke ook enorm populair is bij de dagjestoeristen (die bestaan, vanwege de korte stopovers van Icelandair onderweg naar de US of A) en gij u aldus niet teveel dient te storen aan de hele hordes bussen die allemaal in dezelfde richting vertrekken, en waarbij dat laatste in mijn geval weinig zin heeft. Bij onze eerste stop – Thingvellir – werd ik aldus geconfronteerd met het fenomeen “selfie-Chinees” en kwam ik tot de vaststelling dat het alweer een tijdje geleden was dat ik op de internationale boemel ben geweest en met een aantal trends totaal niet mee ben. Over Thingvellir (de dubbele “l” spreekt gij uit als “tl” in het Ijslands) kan ik u vertellen dat dit een plaats is met een enorme geschiedkundige betekenis voor de Ijslander – hier hielden de vikings hun volksvergaderingen – maar buiten een aantal flinke rotsen is er van die vergaderplaats weinig te zien, en het zal wellicht aan mijn humeur gelegen hebben – grijs miezerig weer en selfie-Chinezen – dat ik het een beetje aan me liet voorbijgaan. Wel spectaculair is de rift – de scheiding tussen de continentale platen van Europa en Amerika – die daar zomaar uit de grond komt en duidelijk te onderscheiden is.

Afin, het duurde niet lang vooraleer we richting Geysir trokken – jawel, dé Geysir, waar al die andere hun naam vandaan hebben gehaald – met het idee dat er daar iets meer leven in de brouwerij zou komen. Ik vond het alleszins prachtig om, na lange jaren, weer geconfronteerd te worden met dit soort van geothermische verschijnselen – en de geur van rotte eieren die meteen happy memories terugbrachten – maar om ietwat contraire te zijn moet ik stellen dat de Strokkurgeiser, want Geysir heeft er al een paar jaar de brui aan gegeven, slechts een waterketeltje lijkt in vergelijking met de Old Faithful in Yellowstone, maar desalniettemin vond ik het prachtig!

Vervolgens kwam een icoon van Ijsland aan de beurt: de Gullfoss, die gij allen IMG_20150523_141252waarschijnlijk kent van prentbriefkaarten en andere parafernalia. Een kanjer van een waterval zonder weerga. Ook hier heel wat selfie-Chinezen (die mensen zijn vergroeid met hun selfiestick) maar dat kon me weinig deren bij het aanschouwen van een waterval waar ge haast niet op uitgekeken raakt. Wel opletten voor de hele wouden aan statieven met telelenzen, want sinds we ons geen zorgen meer moeten maken om pellicule en ontwikkelingschemicaliën blijkt iedereen plots fotograaf te zijn. Mijn prentjes, geschoten met mijn mobieltje, geven nog bijlange niet de grootsheid van dit natuurwonder weer, en dat kunt gij, me dunkt, met de beste apparatuur ook nooit weergeven.

Een paar hete kommen soep-met-schapenvlees later (het was berekoud) ging het dan IMG_20150524_073328naar de tweede overnachtingsplaats, want we hadden reeds een flink aantal kilometers achter de kiezen, en het was nog een hele rit naar Seljalandsfoss, waar wij bij deze bekende waterval – waar ge helemaal achter kunt lopen en kletsnat wordt – onze tent voor de  nacht zouden opslagen. Daarna zouden wij naar minder bevolkte oorden trekken.

De dikke slaapzakken waren snel dichtgeritst en de eerste drukke dag deed de rest …

Meer volgt binnenkort en nog wat foto’s vindt gij alhier!

Tent

Zoals Nina reeds stelde in de comments van mijn vorige stuk zou deze blogpost kunnen gaan over de zoektocht naar een geschikte tent en een nieuwe jas, ware het niet dat ik deze laatste puur toevallig in een outlet heb kunnen scoren en de tent , dankzij het wereldwijde web, alras werd gevonden en ondertussen geleverd is. Ijsland is nu niet meteen de bestemming die je bezoekt wanneer zonovergoten stranden uw ding zijn, en het weer schijnt, op zijn zachtst gezegd, erg veranderlijk te zijn. Bovendien gaan we kamperen – jawel – en vandaar dat ik toch enige uren op het internet doorbracht met de zoektocht naar een betaalbare tent die toch enigszins tegen sterke wind bestand is.

Ijsland is niet direct een goedkope bestemming, en de verslagen van bloggers wereldwijd lijken dit te beamen, niettegenstaande hier en daar uitkijken en vooral veel opzoekingswerk doen een groot verschil maken qua tarieven. De ”jeep” (een kleintje hoor) die ik huurde blijkt een stuk goedkoper bij een van de lokale verhuurders – de doorsnee Amerikaan lijkt stoemelings te boeken bij de grote verhuurbedrijven – en om geen kat in een zak te kopen zijn er steeds de reviews op tripadvisor (goud waard die site!). Qua accommodatie leek kamperen ons de goedkoopste optie, na aftrek van de nieuwe tent (een Vango – Schots, aldus weerbestendig, en op het eerste zicht puik materiaal) en met het idee dat we enkel bij ronduit afgrijselijk weer van de verder peperdure ho(s)tels gaan gebruik maken. Met een beetje geluk hoeft dat niet het geval te zijn en de statistieken lijken uit te wijzen dat Mei zowat de droogste maand van het jaar is.

Ik ben er toch niet helemaal gerust in, en herinner me levendig een aantal steenkoude nachten, putteke zomer, in de Rocky Mountains waar ik niet wist waar kruipen in mijn onnozele slaapzak met comfortlimiet van 5°. Ondertussen ben ik de gelukkige bezitter van een “extremer” model waar het comfortniveau -9 is, en zie ik de Ijslandse nachten met nét iets meer vertrouwen tegemoet. Inmiddels ben ik druk bezig met het construeren van een reisroute en heb ik de campings in functie van het aantal bomen – windbreking! – in kaart gebracht. Best moeilijk, gezien bomen nogal zeldzaam zijn op dit eiland, maar de Ijslanders hebben de laatste decennia gelukkig flink bijgeplant.

Stilaan begint de reis vorm te krijgen, en ik kan u verzekeren dat ik reeds aan het aftellen ben. Wordt vervolgd!

Bucket List

gullfossPenelope en ik trekken op het einde van de maand Mei naar Ijsland, want dat had ik u nog niet verteld. Ijsland potjandorie! Het land van vikings, trollen en elfen, alsook het eiland waar Tolkien de mosterd haalde voor zijn meesterwerken. U had misschien gedacht dat dit Nieuw-Zeeland was, maar dat is enkel te danken aan de geniale regisseur van de LOTR-films. De sagen van Ijsland vertonen dan ook niet toevallig sterke gelijkenissen met de verhalen uit Midden-Aarde.

Nu ik het toch over Ijsland en Nieuw-Zeeland heb: het eerste kan dus binnenkort van de bucket list geschrapt worden en het tweede werd reeds tien jaar geleden doorstreept Het werd aldus zo stilaan tijd om de draad van het reizen weer op te pakken, na jaren van te-renoveren-bakstenen en andere mishaps die een mens geen andere keuze laten dan in zijn kot te blijven.

Staan voorlopig nog te blinken op de bucket list: de Himalaya, Patagonië en de Kilimanjaro, alsook iets minder spectaculaire dingen zoals New England en de Azoren, tot ronduit “exotische” bestemmingen – althans voor mij toch – zoals Antarctica en Noord-Korea, en waar ik niet geheel zeker ben, vooral van dat laatste dan, of ik daar überhaupt ga komen of zelfs binnen mag.

Afin, wat Ijsland betreft zal ik u uiteraard op de hoogte houden van de voorbereidingen – het wordt een kampeertrip (!) – gezien ook ik reeds een schat informatie uit blogs heb gehaald en ik graag mijn ervaringen deel met diegenen die na mij komen.

Ik zie slechts één probleem. Overal waar ik geweest ben wil ik terugkomen en ik vrees dat dit deze keer niet anders zal zijn. Een mens zou twee levens moeten hebben …

PS: ik hoop u al even mooie foto’s mee te brengen :-)

Moe

Tot mijn grote spijt zie ik rondom mij de ene na de andere blog uitdoven, en kom ik tot de vaststelling dat er ook hier al in geen maanden geen letter is neergepend. De goesting is er zelden, en wanneer ze er toch is verwaait ze snel, omdat ik het na ettelijke uren voor een computerscherm niet meer kan opbrengen om nog even wat creatief met letters te wezen. D’ailleurs, mijn creativiteit is sowieso opgebruikt na another day in paradise.

Ik zou hier gezeurd en gezaagd hebben, over de dagelijkse – steeds weerkerende – calvarie, mijn gevechten met windmolens en mijn parels die steevast voor de zwijnen zijn, maar dat wens ik mijn medemens in geen geval aan te doen. Een blog behoort in de eerste plaats plezant of informatief te zijn, of beter nog een combinatie van beide, waarmee ik niet wil zeggen dat er geen plaats is voor wat miserie now and then. Een mens heeft zo al eens behoefte om te kanaliseren, en zo durf ik u nu te vertellen dat zelfs onze bedrijfsarts – en daarna mijn huisdokter – mij met aandrang tot enige voorzichtigheid hebben aangemaand betreffende bovenstaande windmolens, parels en zwijnen.

Waar ik tot voor kort steevast zo naïef was om te geloven dat het allemaal wel beter zou worden en het misschien allemaal aan mezelf zou kunnen liggen, ben ik tot de vaststelling gekomen dat ik nu écht wel opgebrand aan het raken ben en de oorzaken daaromtrent eerder bij het systeem te zoeken zijn. Een aantal recente gesprekken met oud-collega’s – die allen in dezelfde situatie zijn terechtgekomen – deden mij beseffen dat het zo stilaan tijd wordt om met de ratrace te kappen en mezelf geen blazen meer wijs te maken.

Toen ik zeven jaar geleden hoorde dat de firma – waar ik toen, in wel en wee, 11 jaar gewerkt had – op het punt stond om verkocht te worden, dacht ik bij mezelf dat het toch wel tijd werd om plus-est-en-vous-gewijs mezelf te “vervolmaken” en meer “verantwoordelijkheid” te nemen. Zo’n takeover levert trouwens vaak een meedogenloos bloedbad op en met mijn hypotheek in gedachten leek het me veiliger – en leerzamer – om andere horizonten op te zoeken. Ik meende het nog ook, zo helemaal vol van “zingeving” en “dienst aan de samenleving” en goddomme iets opbouwen waar ik later met grote fierheid op zou kunnen terugkijken en de mensen misschien zelfs “merci” gingen zeggen. Ik kan u daarentegen vertellen dat ik, in die zeven voorbije jaren, geen enkele keer met volle goesting naar het werk ben geweest, en waar dat voorheen-  als ik nu terugkijk en vergelijk –  eigenlijk helemaal anders was. Het hielp niet om drie keer van werk te veranderen, en momenteel kan ik deze jaren vooral typeren als zijnde “80% van mijn tijd andermans, en door anderen (moedwillig) veroorzaakte problemen oplossen met een acuut gebrek aan (competente) mensen en middelen”.

De hel van het middenmanagement blijkt dus zeer reëel en niettegenstaande mijn branche te kampen heeft met een moordende concurrentie, lijkt veel te herleiden tot een door en door verrotte bedrijfscultuur waar de belangen van kleine groepjes en/of individuen op de eerste plaats staan. Ik vraag mezelf af waar ik ooit de energie vandaan haalde om deel te nemen aan ellenlange assessments (saai, waardeloos en enkel en alleen om psychologen aan een job te helpen) waar ik reeds wist dat de begeerde job al intern toegewezen was, en ik meende dat ik een echte kans maakte, want met een CV zoals het mijne moést ik wel uitverkoren zijn – U weet wel, the right man on the right place en andere zinsverbijstering. Ondertussen heb ik echter geleerd dat de “leuke” banen, met veel bevoegdheden, veel armslag, veel delegeringsmogelijkheid and lots of businesstravel worden verdeeld onder de “old boys” en hun paladijnen, en de “moeilijke” jobs, die niemand wil wegens te lastig, teveel ellende en teveel “echte” verantwoordelijkheid, worden aangeprezen aan buitenstaanders als zijnde “ the opportunity of a lifetime”. Het is dan ook nooit echt de bedoeling dat je iets verandert; een – beschonken – topman van een gekend bedrijf vertrouwde me ooit toe dat bepaalde middenmanagementjobs in de sector een groot verloop kennen omdat de kandidaten steevast stuk lopen op dat knagende en gekende gebrek aan mensen, middelen en samenwerking, maar dat dit ook geen probleem is gezien men enkele continuïteit verwacht en dit aan een zo laag mogelijke kost (lees: als de ene onnozelaar niet meer kan, nemen we gewoon een andere naïeve onnozelaar in dienst, en die moet ons nog dankbaar zijn ook).

Dit soort van mentaliteit is trouwens typerend voor de zogenaamde bedrijfspsychopaten en -sociopaten die, afhankelijk van de gebruikte parameters, tot 4% kunnen uitmaken van het leidinggevend personeel binnen een bedrijf. De ene heeft dit soort trekjes al wat meer dan de andere. Soms lijkt het wel dat in mijn sector die getallen nog iets hoger liggen – waarom kwam ik er al zoveel tegen? –  en wellicht heeft de inherente glamour en glitter van mijn branche, althans zo ziet de buitenstaander dat, hier een en ander mee te maken.

Vaak zie ik mensen, die zich in weinig bijzonders onderscheiden, binnen de kortste keren oprukken naar de hogere rangen alwaar zij snel enorme schade aanrichten. Vaak wordt er dan achteraf bespaard bij de lagere echelons en is het aan ondergetekende en lotgenoten om de schade te beperken en/of grote schoonmaak door te voeren. Daar word ik trouwens, door bovenstaande creaturen, geloof het of niet, vaak om geprezen: ik heb niet alleen de vakkennis maar ben tevens iemand die de boel aan het draaien houdt, en het is uiteraard bijzonder handig om dat soort volk in dienst te hebben. Dat ik – en andere ervaringsdeskundigen – stilaan onder de moordende werkdruk bezwijken zal hun worst wezen. Er is steeds iemand anders die in de val trapt en misschien is die persoon zelfs goedkoper!

Dat ik nooit zelf deze weg ben opgegaan heeft alles te maken – en hier ga ik weer de goedgelovige toer op – met “eergevoel” en “’s avonds nog in de spiegel kunnen kijken”. Ik ga dus nooit, ook niet met mijn achtergrond, ervaring en competenties, deel uitmaken van een directie, en ik ben daar ook absoluut niet meer rouwig om. Met integriteit en vakkennis ben je immers een grote bedreiging voor de gevestigde waarden en ik mag dus al blij zijn dat ik momenteel een job heb.

Zoals ik stelde heb ik voor mezelf beslist om toch (deels) uit deze ratrace te stappen, in de eerste plaats voor mijn gezondheid, maar ook al omdat ik het simpelweg beu ben om aan de grillen van een giftige bedrijfscultuur te voldoen. Ik ben dan ook al een tijdje op zoek – ik blijf me uiteraard voor de volle 100% geven; eergevoel weet u wel – naar een andere baan. Weliswaar in mijn bedrijfstak gezien dit steeds mijn “lange leven” zal blijven, maar ik neem zonder probleem een stap terug, lever zonder schroom wat salaris in en zoek terug iets in de “eerstelijnszorg”, wat ik vroeger deed, en eigenlijk met plezier, en waar ik met graagte de problemen zal oplossen die zich door force majeure stellen en niet door een of andere (moedwillige) nalatigheid. Of geef mij een project met veel cijfers waar ik mij nerdsgewijs in kan uitleven, en waar ik helemaal alleen voor verantwoordelijk ben, en ik zal wellicht een stuk gelukkiger zijn. Ook daar hang ik aan een puppeteer vast, maar ik zal er tenminste minder last van hebben.

Toch kan ik u ook goede tijdingen vertellen: Penelope en ik gaan nog eens op vakantie, en dat over de wijde plas en zelfs – voor het eerst in jaren – langer dan één week. Ik stel voor dat ik u de volgende keer over dat schone vooruitzicht schrijf!