Mond-en-klauwzeer

Terwijl de coronacijfers weeral hun piek bereikt lijken te hebben (en dan hebben we het niet eens over Omikron) is ondergetekende de 6e dag van zijn isolatie aan het uitzitten, want ook ik heb prijs. Waar ik het opgeraapt heb? Geen idee, maar gezien we op het werk met 5 gevallen zitten en 4 daarvan management zijn, lijkt het logisch dat ik ergens door een kwalijk miasma ben gelopen bij mijn wekelijks bezoek aan kantoor. Daarentegen heeft mijn kroegbaas het ook zitten, en is het best mogelijk dat de snoodaard, over de toog, in onze richting heeft geademd (grrrr, met zijn ademen ook altijd)

Waar het vandaan komt maakt eigenlijk niets uit; we kunnen er toch niets aan veranderen. Ook Penelope is ziek en gezien we op aparte adressen wonen is het dus minder prettig om op afstand te moeten uitzieken. Onze reis naar Venetië is uiteraard ook in het water gevallen en dat is dus flink balen. Gelukkig konden we het hotel zonder kosten annuleren, maar de vlucht zijn we helaas kwijt en met de stijgende cijfers overal in Europa hebben we geen flauw idee wanneer we opnieuw kunnen boeken.

An sich viel het wel mee; daar ik gevaccineerd ben met het vaccin van denaldi (J & J) had ik de eerste dagen een zware verkoudheid die nu achter de rug lijkt te zijn. Er is alleen nog die vermoeidheid en het verlies van smaak/geur.

Mond-en-klauwzeer zal wel erger zijn vermoed ik?

Het smaragdgroene eiland

Op een kort (werkgerelateerd) toertje over de grens na, was het alweer meer dan anderhalf jaar geleden dat we nog eens op reis waren geweest. Er waren wel wat wilde plannen om het vliegtuig te nemen om – al was het maar eventjes – het woord staycation niet te moeten aanhoren, maar toen wisten we nog niet dat het wereldwijd wel erg stroef loopt met de vaccinatiecampagnes en vooral met de wederzijdse erkenning van vaccinatiebewijzen. Aldus bleef de keuze beperkt tot continentaal Europa en gezien de situatie kunnen beggars geen choosers zijn. Daar Penelope nog nooit in Ierland was geweest en ik nog eens goesting had om links te rijden, was de keuze dan ook snel gemaakt. De tarieven voor de ferry naar Dublin waren bijzonder gunstig en ik had bovendien nog een ontwerp voor een Iers roadtripje ergens onderaan in de schuif liggen. Half september was het zover.

Gold Beach (Arromanches, overblijfselen van Mulberry haven)

Gezien de ferry vertrekt uit Cherbourg waren we reeds een dag op voorhand vertrokken omdat het anders toch écht wel racen tegen de klok zou zijn. Om het nuttige aan het aangename te paren brachten we aldus de nacht door in het charmante stadje Bayeux (jawel, van dat tapijt) en konden we de dag nadien nog een en ander meepikken van de D-day invasiestranden (blijft indrukwekkend). Het was een flinke overtocht (19u!) met de ferry alwaar ik met veel goesting aan de eerste van veel Guinnessen begon, terwijl we doorheen de ramen de kanaaleilanden zagen voorbijschuiven en ik mezelf herinnerde dat ik ook nog eens opnieuw die kant op wil. De nacht viel best mee (de oceaan/zee was zo plat als een biljartlaken) en zonder al te veel oponthoud reed ik die morgen de ramp af om meteen in de Dublinese ochtendspits te rijden. Het is dan vooral flink opletten gezien Waze u alle richtingen uitstuurt en dan nog in een stad waar ge aan de verkeerde kant van de straat aan het rijden bent.

Trinity College Library

Over Dublin valt veel te zeggen, behalve dan dat het niet echt een grootstad is en qua attracties zullen er wellicht mensen zijn die op hun honger blijven zitten. De stad trekt mijn inziens eerder het soort toeristen aan die het begrepen hebben op (vaak) kleffe folklore en zogezegd authentieke pubs (niets mis mee trouwens) niettegenstaande je wel degelijk een aantal oerdegelijke museums (om zo maar iets te zeggen) in de stad kan terug vinden. Ik had de meeste van de “highlights” (Guinness storehouse ed.) al gezien op vroegere trips, maar was er nog niet aan toegekomen om de Trinity College Library te bezoeken (en het Book of Kells) wat voor mij zowat het hoogtepunt is van de bezienswaardigheden in deze stad, en bovendien flink de moeite ook. De bibliotheek zelve zou niet misplaatst zijn in een Harry Potter film. Wat me in deze ook opviel was de toegenomen marginaliteit en smerigheid van de stad (heeft Corona hier iets mee te maken gehad?), maar dat werd goedgemaakt door de vriendelijke mensen en mijn favoriete adresje (The Bank on College Green) waar het immer goed eten is. De laatste keer dat ik in Dublin was bezochten we het hierboven vermelde Guinness Storehouse en zag ik – vanuit de panoramische bar – groene heuvels in de verte liggen. Het waren die groene heuvels, de Wicklow Mountains en zijn nationale park, die voor de volgende dag op het programma stonden.

Spinc Trail, Wicklow Mountains

Het is dan ook een verademing om het doolhof van Dublin (Waze was weeral in form) achter te laten en snel in een streek terecht te komen die sterk deed denken aan delen van de Schotse hooglanden en zelfs een beetje aan de Ardennen. Bijzonder mooie streek, waar er flink te wandelen valt en wij ons ophielden rond Glendalough, wat zowat het centrum is voor de outdoors-activiteiten in deze streek. Aan te raden is de Spinc Trail, die een knap panorama biedt van de streek, en voor de fijnproevers is er de Ballinastoe Woods Walk, die niet zo eenvoudig te vinden is, maar wellicht een goede inspiratie zou zijn voor een hoofdstuk in een of ander fantasy-epos. Ik raad u daarentegen ten stelligste af om de hoogste waterval van Ierland te bezoeken die daar ergens net om de hoek ligt; wat mij betreft zijn de watervallen van Coo een stuk spannender en daar betaal je geen 6 € toegang voor.

Ballinastoe Woods Walk

Blij om te weten wat er in die heuvels gaande was, stond er vervolgens een ganse dag rijden op het programma waarbij we voornamelijk over de snelweg en autowegen hebben gereden – ik had de route wat onderschat – om op tijd aan te komen in Killarney, waar het bekende “Gap of Dunloe” op het programma stond. Ook hier was Waze weeral flink in form, en werden we over allerhande kleine en – vooral – smalle wegeltjes gestuurd die me sterk deden denken aan onze belevenissen op het platteland van Cornwall en Schotland (“passing places”) en waar de plaatselijke chauffeurs zich netjes aan de snelheidslimiet van 80 (!) Km/u houden (kuch). Zo werden we verschillende keren door een dorpje gestuurd waarvan ik de naam in het Gaelic niet kan uitspreken maar ongeveer klonk zoals “Rosse Jeannine” (of zoiets). Dat om 30 seconden te winnen in wat ginder een avondspits voorstelt. Van toen af hebben we wijselijk besloten om Waze in te wisselen voor onze “gewone” GPS.

Aangekomen in Killarney waren we te gast bij de alleraardigste pensioneigenaar die bovendien als twee druppels water op Kamagurka leek. Ik heb hem niet gevraagd hoe ik “Rosse Jeannine” in het Gaelic moest uitspreken. Aardig taaltje trouwens, en ter plaatse werd ik er nogmaals aan herinnerd dat het accent van de westkust geenszins te vergelijken valt met het afgelikte Dublinees van de kostuums die ik af en toe op kantoor aantref. Zo was er die brave oude knar die het busje bestuurde dat ons naar het startpunt bracht van de wandeling door The Gap of Dunloe, en ons met zijn sappige accent een verslag gaf van alle “bezienswaardigheden” waar we voorbij reden. Dat deed hij door tegelijkertijd in de microfoon te spreken en deze ook als aanwijzer te gebruiken. Dat de halve bus op die manier ook maar halve zinnen kreeg te horen leek hem niet te deren. Nu ja, we verstonden er ook maar weinig van.

Augher Lake, Gap of Dunloe
Kort bij de “Wishing Bridge”, Gap of Dunloe

We hadden enorm geluk met het weer (op een korte plensbui na) en de wandeling doorheen dit mooie stukje natuur was indrukwekkend. Let op: de meeste toeristen laten zich met paard en kar vervoeren (voor ocharme 12 km) maar gezien het toerisme op halve kracht draaide hebben we hier niet al teveel last van gehad. Niettegenstaande ik niet meteen te vinden ben voor georganiseerde tripjes was het hier dus de bedoeling om na de wandeling een boottocht te maken over Lough Leane om zo terug naar het dorpscentrum gevoerd te worden. Het was dit of helemaal te voet terug gaan , maar de oversteek van het meer viel bijzonder goed mee en ik mag zelfs zeggen dat het zijn geld waard was. Een van de hoogtepunten van onze reis, en we hebben Kamagurka verzekerd dat we nog eens zullen terug komen!

Cliffs of Moher

De dag nadien was het weer even rijden om op onze volgende bestemming – Galway – terecht te komen, met een tussenstop aan de obligate “Cliffs of Moher”. Hier kwam ik terug op bekend terrein terecht gezien ik hier jaren geleden ook al een tripje had gemaakt en tot de vaststelling kwam dat het nog steeds lang rijden is via de smalle kustwegjes, maar het zicht op de Oceaan maakt veel goed. Galway is een charmant universiteitsstadje en hier draait het qua toerisme vooral om de zogenaamde “Latin Quarter” (pubs, wat anders, maar dan in felle kleurtjes) dat tijdens een warme zomerdag wellicht aardig lijkt, maar waar wij niet meteen iets verloren hadden. Wij hadden het vooral voorzien op een daguitstap naar de Aran eilanden, en gezien ik al eens op Inishmaan was geweest ging het deze keer naar Inishmore, waar er mijn inziens veel meer te bekijken viel.

Dún Aonghasa, fort uit de bronstijd op Inishmore

Ik had iets te diep in mijn memorie gegraven en had tickets gereserveerd op een ferry die vertrok op een plaats die op 1,5 uur van onze B & B lag, daar waar er een ferryhaventje achter onze hoek bleek te liggen en ik dat dus helemaal vergeten was. Nu ja, we hebben dan maar een en ander verschoven met onze reservaties om ons niet al teveel te moeten haasten en wonder boven wonder kwamen we niet alleen op ons oorspronkelijk vertrekuur aan maar konden we nog net mee met deze ferry waarbij we dus een uur gewonnen hadden.

Inishmore

Inishmore mag dan een van de meest bezochte Aran eilanden zijn – en wellicht is het daar over de koppen lopen in het hoogseizoen – maar wat ons betreft was dit weeral een toppertje. Gezien Covid en het feit dat we al half september waren, was het daar relatief rustig en konden we een mooie fietstocht maken over het eiland in prachtig weer. Het eiland biedt een aantal archeologische sites met een prachtig zicht op de oceaan, er zijn zeehonden en puffins te zien in het wild, en met wat zoeken kunt ge zelfs een natuurlijk “blowhole” aan de rand van de Oceaan vinden. We hadden er spijt van dat we maar een dag konden blijven gezien een overnachting hier zeker op zijn plaats was geweest. Wie weet, misschien de volgende keer.

Inishmore

En zo kwam ons laatste doel in het zicht: de Connemara. Voor velen slechts een onnozel liedje op een trouwfeest, maar in werkelijkheid een grandioos natuurgebied. In feite kunt gij daar – zoals in de meeste nationale parken van Ierland – verschillende dagen wandelen, maar gezien onze tijd beperkt was hebben we hier gekozen voor een van de meeste bekende wandelingen over en rondom Diamond Hill wat een van de markante heuvels van deze streek is.

Afdaling van Diamond Hill

De wandeling beloofde spectaculaire vergezichten, maar gezien het bijzonder slechte weer hebben we hier slechts flarden van opgevangen. Daarentegen hebben we doorgezet in regen en wind en hadden we veel deugd van wat achteraf gezien een zeer sportieve wandeling was geworden. Het valt ons ook nog steeds op hoe slecht sommige toeristen zijn uitgerust en ik zeker niet in de plaats wil zijn van al diegenen die zo’n wandeling willen forceren op witte sportsloefkes en met een niemendal van een K-way’tje rond hun middel. Al doende leert men. Met horizontale slagregen. Mag ik hopen.

En zo ging het terug naar Dublin. Deze keer zaten we in een (toch wel) aangename en betere wijk waar ik nog nooit geweest was en waar de – misschien cru gezegd – verloedering van het stadscentrum toch wel ver af leek. Veel hadden we niet meer gepland – buiten wat toertjes en winkelen – gezien we de dag nadien op tijd aan de ferryhaven wilden zijn. De overtocht was niet eens noemenswaardig en al gauw waren we weer een volle dag aan het rijden om laat ten huize aan te komen. Maar nét niet laat genoeg om nog snel eentje te gaan pakken aan de toog – de Guinness weg te spoelen – en reeds een relaas van deze reis te doen.

Binnenkort trekken we nog eens naar de Dogestad. Misschien dat ik dan ook wel goesting heb om daar een en ander over te schrijven.

Kwartje

Heel die coronacrisis heeft als voordeel gehad dat ik voldoende tijd had om aan enige introspectie te doen.  Wanneer uw werk nog slechts uit sleur en ergernis bestaat is het hoog tijd om andere dingen te gaan doen.   Het is trouwens een wonder dat we deze crisis zonder al te veel problemen zijn door gesparteld.  Al bij al positieve resultaten, maar laat dat vooral te wijten zijn aan wat samengevat kan worden als een flinke portie geluk bij een ongeluk.  Ondertussen blijkt de toekomst nogal onzeker gezien het moederbedrijf – een flink uit de kluiten gewassen multinational – een en ander wereldwijd wil herstructureren en ook wij wellicht in de klappen zullen delen. 

Gezien het Peter Principle bij ons tot een ware kunst verheven is, zijn ondergetekende en twee lotgenoten zeer gegeerd om allerhande fratsen recht te trekken en de goeie gang van zaken te garanderen.  Noteer dat wij zelven – van bovenstaande principe gesproken – met recht en rede moge beweren dat we nog niet op dat niveau gekomen zijn waar we te incompetent voor zijn, gezien we dat onmiddellijk zouden merken aan de hoeveelheid stroop die er aan onze baard wordt gesmeerd. Toen één der lotgenoten plots zijn ontslag aanbood voor een zeer bekoorlijk voorstel – en dat in volle coronatijd – vond ik al die aanbiedingen die ik via LinkedIn kreeg plots nog een stuk aantrekkelijker.  Zo aantrekkelijk zelfs dat ik het wel buiten mijn sector wou wagen, wat zo goed als blasfemie is, daar werken in de luchtvaart niet minder dan een roeping is (wordt alleen begrepen in luchtvaartkringen)

Op gevaar van mijn hele zielenzaligheid op het spel te zetten ben ik beginnen solliciteren bij een groot engineeringbedrijf waar men al snel lieten weten dat men wel degelijk interesse had.  De hele reutemeteut van (virtuele) assessments werd doorlopen, waarna het even stil werd om dan plots opgebeld te worden met een concreet voorstel en de vraag om een dag te komen meedraaien.  Ik zat dus plots zo goed als binnen. No kidding.  Het voorstel in kwestie was niet te versmaden; een flinke smak kluiten erbij voor een functie op niveau die zich voornamelijk op werven wereldwijd zou afspelen.  Even aanpassen wellicht, maar misschien nét dat zetje dat ik nodig had om terug iets of wat te floreren in mijn dagelijkse bezigheden.

Omdat ik nog steeds deeltijds werk (vanwege corona) was het dus een fluitje van een cent om me een volledige dag vrij te maken om een en ander van dichtbij te bekijken. Bijzonder vriendelijke mensen die erg eerlijk waren over de bedrijfsproblematiek, die in feite een perfecte illustratie was van dat groene gras aan de overkant.  Erg wild werd ik er niet van, van de landschapskantoren en van het verloop van jonge wolven die daar eigenlijk enkel voor de hoge verloning zaten.  Om een lang verhaal kort te maken: diezelfde avond werd me verteld dat men bijzonder tevreden was over mijn input en inzicht en ik me zo snel mogelijk diende aan te bieden bij de HR om het contract te tekenen.

Waar een normale sterveling dolblij thuiskomt met het vooruitzicht op nieuwe uitdagingen, zat ik met een knagend gevoel en heb ik samen met mijn vriendin zowat de halve avond voordelen en nadelen zitten afwegen, om vervolgens slecht te slapen en bij het krieken van de ochtend een mail te sturen met de boodschap dat ik het voorstel vriendelijk afwees.  Ik kreeg nog een verbaasd telefoontje waarin me mij vroeg om toch nog te heroverwegen, maar de “gut feeling” zat niet goed. 

U kunt zich dat wellicht niet meteen inbeelden, maar ik stond op de bovenste verdieping van een ultramodern kantoorgebouw, uitkijkend over rivier en stad, een contract zo goed als op zak, me afvragende of ik nu elke dag pak en das moest dragen, toen er plots een vliegtuig voorbijvloog.  “Ah ja”, dacht ik bij mezelf, “dat is een Cessna Citation, wellicht van operator X die net opgestegen is van mijn vliegveld”. 

Toen viel mijn kwartje.  Dat is niets voor mij, dat wereldje buiten de vliegerij.  Toch niet meteen, tenzij het écht niet anders kan.  Ik ga nog even doorbijten en de kat uit de boom kijken.  Meer argumentatie had ik niet nodig.  Het is een roeping weet u?

Kompjoeter

De lente is traditioneel hét moment om grote schoonmaak te houden. Eens in de 10 jaar krijg ik mezelf zo ver om dat ook eens te proberen en de tijdelijke werkloosheid – waardoor ik tegenwoordig halftijds werk – heeft bij deze geweldig geholpen.

Waar ik bij mijn eerste verhuis slechts een paar keer met het eigen wagentje over en weer diende te rijden om alles ter plaatse te krijgen, evolueerde dat ondertussen van een kleine bestelwagen naar een gezonde vrachtwagen en dit komt dan vooral door de ettelijke dozen brol die ik van de ene naar de andere plaats heb meegesleurd wegens “misschien nog eens nodig hebben”. Hele dozen vol met oud computermateriaal en kabels zijn met veel plezier naar het containerpark gebracht, en dat inspireerde me meteen om ook eens virtuele schoonmaak te houden op mijn PC. Een “clean install” geeft immers veel voldoening.

Daar ik met dual-boot Linux/Windows werk, loopt er sowieso een en ander fout, waardoor ik dan uren bezig om een en ander terug aan het draaien te krijgen waarbij ik – o gruwel – allerhande wartaal in terminals/command prompt dien in te typen om er dan tegen tienen ‘s avonds de brui aan te geven en mezelf te beloven om het de volgende morgen allemaal in orde te brengen. Uiteraard kan ik mezelf niet tegenhouden om dan diezelfde avond nog op mijn telefoon te zitten tokkelen om oplossingen te vinden, wat deze keer nog gelukt is ook!

Het is deze uit de hand gelopen hobby die er voor gezorgd heeft dat ik op het werk – met zeer lange tanden mijnentwege – tot IT-manager-in-bijbaantje ben gebombardeerd. U kan zich – of niet – inbeelden welke arbeidsvreugde dit teweegbrengt (kuch). “Ik heb dat nooit echt gehad in school” is dan uiteraard het meest gehoorde excuus, maar zelf proberen en Google als goeie vriend nemen zit er meestal ook niet in bij deze mensen. Ik kan dan nog zo hard “plus est en vous” roepen en het ettelijke keren voordoen, maar dit brengt helaas weinig zoden aan de dijk.

Ik amuseer me dus vooral met het resetten van paswoorden (oei, de Caps-Lock stond nog op), het uitleggen hoe je van Qwerty-US naar Qwerty-UK overschakelt (ah ja, een internationale boîte en dan komt daar nog Azerty bij; nefast voor de paswoorden) en het deblokkeren van PC’s wanneer men toch stug blijft proberen om het paswoord in te geven met diezelfde Caps-Lock aan (en de Num-Lock uit). Dat laatste doet me dan weeral denken aan het brave meisje dat – in verre en vervlogen tijden – aan onze check-in werkte en wiers “nummers kapot waren”. Juist, u raadt het al.

Wanneer je dat moet combineren met een andere veeleisende baan kan u wellicht begrijpen dat ik wel eens cranky thuis kom. Helemaal te gek wordt het met de die-hard luddieten die menen dat het kantoorleven voor de komst van de computer veel beter was. Zo heb je bij ons Sylvain, die op een jaar van zijn pensioen staat. Sylvain was al behoorlijk boos toen de Blackberry – met toetsenbord – werd vervangen door, ik citeer, een “wrijftelefoontje”, en het heeft veel voeten in de aarde gehad om Sylvain de kneepjes van een touchscreen aan te leren. Sylvain is dan ook diegene die een reeks cijfers in een excel-werkblad bij elkaar telt met een rekenmachine in de hand (zo eentje van Texas Instruments). Ik heb toen niets gezegd. Dit ging zelfs mij te ver.

Ik mag er dan wel mee lachen – foei, empathie is niet mijn sterkste punt – maar ik heb bij deze wel respect voor de goedmenende zielen die de stiel van ICT-verantwoordelijke alledaags en fulltime beoefenen. Oh ja, zie het prentje onderaan: gouden tip!

FOMO

Fear Of Missing Out. Het hield me tegen om van mijn Facebookprofiel af te komen. Ik was er indertijd vroeg bij en op een bepaald moment had ik om en bij de duizend “vriendjes”. De opkomst van de smartphone maakte dat ook ik talloze uren heb verspild met het checken van mijn profiel.

Jaren geleden begon het mij echter te dagen dat die paar eenzame zielen zonder Facebookaccount wel eens gelijk konden hebben. Het constante checken van die updates werd een constant “ergeren”, waarbij de profielen die foto’s plaatsten van hun eten – en daar tig likes voor kregen – al gauw werden verwijderd, om nog maar te zwijgen van al die mensen die ik al jaren niet meer had gezien en wiens levens me eigenlijk geen barst meer konden schelen. Cru, maar ik ben er zeker van dat u het ook al gedaan heeft. Ettelijke profielen toegevoegd op fuifavonden in een ver verleden, die collega’s uit dat vroegere bedrijf en die buren uit de stad waar ik ooit woonde; allemaal verwijderd, omdat er toch niets meer te zeggen viel en we allen met onze levens verder gingen.

Bleven over: de inner circle en een aantal personen die daar net buiten vielen, maar desalniettemin interessant genoeg waren zodat de tally daalde tot zowat 200 vriendjes. Er dient wel gezegd te worden dat daar ook de complete fanfare van ons dorp tussen zat en ik daar niemand durfde te verwijderen omdat er daar mensen tussen zitten die dat onmiddellijk hebben gezien en dat als een vreselijk affront beschouwen. Er zaten er bijgevolg nog een heleboel tussen die foto’s van hun eten op hun wall plaatsen maar deze had ik dan maar op negeren gezet. Goede relaties onderhouden met de Heimat behoort nu eenmaal tot de prioriteiten.

Ik moet echter toegeven dat het mij in de eerste plaats niet ging om de Facebookloze Lonely Wolf uit te hangen, maar dat ik mij de laatste jaren wel bijzonder zorgen begon te maken in verband met de data die Facebook van ons verzamelt en die zomaar ergens op een server aan de andere kant van de oceaan rondslingert. Niet dat de CIA ooit geïnteresseerd kan zijn in het profiel van een kleine beroepscynicus uit Vlaanderen, maar het gemak waarmee we onze informatie rondstrooien is verontrustend. Meer nog, de coronacrisis toont aan dat veel burgers, met een grenzeloos vertrouwen in de overheid, hoegenaamd geen probleem hebben met maatregelen die op het randje van het ondemocratische balanceren – maatregelen beslist door de regering zonder meer en niet gelegitimeerd door het parlement – en voor je het weet kom je in een social credit-systeem terecht zoals dat nu in China geïmplementeerd wordt. Ik overdrijf misschien maar ik ben niet de enige die zich die bedenking maakt. Nog even en ook dit waait de oceaan over.

Niettegenstaande Facebook specifieke privacyinstellingen heeft zijn deze, naar mijn aanvoelen, hoegenaamd niet voldoende en deze gedachten waren nog niet koud of het volgende datalek annex schandaal kondigde zich reeds aan. Ik ben er alvast niet bij. Bovendien raad ik u ook aan om eens te kijken op haveibeenpwned.com om te zien of dat oude getrouwe e-mailadres van u ook niet ergens rondwaart op dat wereldwijde web.

Afin, ik heb stilletjes mijn exit gemaakt op Facebook, zonder fanfare (letterlijk) en door dit bericht te posten waarin schrijver Stephen King zijn voornemen bekend maakte om het sociale medium te verlaten en waarom u best hetzelfde doet. Dat werd door exact één (1) persoon opgemerkt. Een aantal mensen die ik contacteerde om even dubbel te checken of hun coördinaten nog klopten gaven aan dat ze het niet eens gezien hadden, waarbij ik dan denk dat er misschien een of ander algoritme bestaat dat dit soort posts uit zoveel mogelijk tijdlijnen houdt, maar ik zal weeral aan het overdrijven zijn. Het bevestigde alleszins dat vele profielen in mijn kringetje zo goed als slapende waren.

We zijn nu een aantal weken verder en achteraf gezien heb ik Facebook nog geen minuut gemist. De meeste conversaties met personen waar ik vaak contact mee heb verlopen tegenwoordig via Whatsapp (ook van Facebook! Overschakelen naar Signal jandorie!) en dan stelt er zich enkel nog de vraag wanneer ik Instagram (van Facebook!) verlaat, gezien ik daar nog niet meteen een alternatief voor gevonden heb. Misschien heb ik niet eens een alternatief nodig? Ik kan wel een paar redenen bedenken, en eentje daarvan is dat Zuckerberg een robot is. Kom achteraf niet klagen dat ik het u niet gezegd heb!

Koffie

Ondertussen zijn we een jaar verder. Nog steeds wat knarsetandend over de trip die ik toen noodgedwongen moest afbreken en waar u hier – iets verder naar beneden – over lezen kan. Net zoals u heb ik er het beste van gemaakt en probeer ik te wennen aan “thuiswerken”, wat in mijn functie(s) niet altijd vanzelfsprekend is. Het gebrek aan uitgebreide sociale contacten zal echter nooit wennen en het blijft ongeduldig wachten tot de junta toestemming tot heropening geeft aan mijn plaatselijke watering hole. Het staat reeds vast dat we die dag niet gauw zullen vergeten

Ik stel vast dat velen mensen het moeilijk krijgen, en dat anderen het zich wel laten gevallen en vanwege een gegarandeerd inkomen gerust een tandje lager kunnen schakelen. Dat het dan allemaal (flink) wat trager loopt – of zelfs niet uitgevoerd raakt – wordt toegeschreven aan Corona. De pandemie draagt in deze bij tot de versnelde wallonisering van Vlaanderen en we zullen het niet geweten hebben.

Stuitend ook, om vast te stellen dat een groot deel van onze bevolking wegkijkt bij het affreuze amateurisme van de overheid en de daarmee verweven particratie, en verwacht dat er van die zijde nog oplossingen zullen komen. Nu, we geraken er uiteindelijk wel uit, maar dat zal alvast niet toe te schrijven zijn aan beroepspolitici en wereldvreemde virologen.

Ondertussen heb ik deze blog eens flink onder handen genomen. Ik heb de zowat 200 berichten – voornamelijk geschreven in mijn anni horribiles 2011 en 2012 – nog eens gelezen en besloten deze, op wat reisverhalen na, terzijde te schuiven in de niet-publieke archieven gezien ze niet meer relevant zijn. Het is immers ondertussen – per aspera ad astra – enkel de goede richting uitgegaan. Misschien krijg ik wel de goesting om hier met enige regelmaat terug wat schrijfsels achter te laten.

Maar ondertussen zitten we nog steeds in een pandemie en zorgt de lockdown voor van die kleine specifieke probleempjes. Zo was een “koffie om mee te nemen” vroeger nog letterlijk on-the-go, waar ik nu vaak, voor het koffiehuisje om de hoek, in een lange sliert sta aan te schuiven gezien de burger met zichzelf geen blijf weet door de sluiting van de horeca en de bijhorende terrassen. Eens aan de bar aangekomen zie je ze verwonderd kijken naar het uithangbord met de -tig soorten latte’s, koffiebereidingen allerhande en andere onzin, om na minutenlang “efkes kiezen” apetrots “ne koffie!” te bestellen. Ik zucht vanachter mijn mondmasker en denk dat deze pandemie voor iedereen te lang duurt. Weldra zitten we terug op een terras. Met iets sterker dan een koffie in een kartonnen potteke met een slecht passend deksel. Ge moogt gerust zijn.

Merci Chauffeur!

Tussen de huiselijke kantoorwerkzaamheden door ben ik nog steeds aan het pruilen over mijn jongste reis die, zoals u weet, abrupt werd afgebroken. Bijgevolg was ik al hier en daar aan het rondkijken naar een reisje ergens begin volgend jaar, wellicht richting Zuidoost-Azië. Maar ik begin me zorgen te maken. Gezien ik in de luchtvaartbranche werk en op de eerste rij zit vrees ik dat we niet meteen aan onze nieuwe patatten zijn. Integendeel zelfs.  Het zal nog even duren vooraleer er überhaupt gereisd kan worden.

Waar wij vroeger flink moesten lachen met die hypochondrische Aziaten met hun mondmaskertjes, is het zo goed als zeker dat dit het nieuwe normaal wordt op een luchthaven en mogelijk totdat er een vaccin gevonden wordt. Vele luchtvaartmaatschappijen zijn inmiddels ook bezig met hun exitstrategie en de maatregelen gaan van het dragen van mondmaskers en het controleren van de temperatuur tot een vingerprik en on-site coronatest. De middelste rijen stoelen zullen vrij blijven om toch iets of wat “distancing” te creëren, maar dat betekent ook dat er een derde van het toestel niet bezet is en er een pak minder inkomsten gaan zijn, met gevolg dat de ticketprijzen onherroepelijk gaan stijgen. Ergo, het hele low-cost model komt onder druk te staan – u kan daar blij om zijn of niet – tenzij innovatieve oplossingen zoals onderaan geïllustreerd snel ingang vinden.

Avitrader
https://www.avitrader.com/2020/04/22/italian-manufacturer-aviointeriors-develops-corona-seating-concept/

Van low-cost gesproken: ik herinner me de eerste keer dat ik met Ryanair vloog. Nog vanop de oude vooroorlogse luchthaven van Charleroi, waar ik met mijn toenmalige vriendin ergens naar het Zuiden vloog. Dat waren de tijden toen lagekostenmaatschappijen zoals Ryanair voor een ware democratisering van het luchtverkeer zorgden en de hele terminal afgeladen vol zat met zichtbaar nerveuze mensen in hun beste trainingspakken (de nationale klederdracht van Charleroi) die zich aan hun eerste vlucht ooit gingen wagen.

De moed zonk me in de schoenen, niet zo zeer vanwege de volle terminal, maar eerder vanwege de “free seat choice” toendertijd, waarbij diegenen die het kortste bij de gate stonden – en daar “en masse” aanwezig waren – dan ook de beste plaatsen hadden. Ik keek dus niet bepaald met volle goesting uit naar een paar uur met mijn knieën naast mijn oren op die veel te kleine gele zeteltjes, terwijl ik nog zo gehoopt had om de spurt naar de “overwing emergency exit seats” te winnen.

Groot was mijn verbazing toen ik eindelijk aan boord kwam en al die trainingspakken zich achteraan in het vliegtuig bevonden. Zoals in de autocar weet u? Ik verwachtte mij enkel nog aan een luid gezongen “Merci Chauffeur!” bij de landing maar ze hielden het – uiteraard – bij een nerveus applausje en een hoorbare zucht van opluchting.

Ik mag hopen dat we snel terug vliegen mogen, met of zonder trainingspakken!

Halsoverkop

Niettegenstaande ik lange tijd afwezig ben geweest op dit medium, volg ik nog steeds een aantal bloggers die het in al die jaren zijn blijven volhouden. Ik was dan ook bijzonder verbaasd om plots een aantal oude blogs in mijn rss reader te zien verrijzen uit de vergetelheid, maar het spreekt dan ook voor zich dat het coronabeestje en de quarantaine daar voor een en ander tussen zitten.

Zo dacht ik reeds een tijdje geleden om eens terug een reisverslag op deze blog te schrijven. Wat ooit begon als een uit de hand gelopen cafétrip om een museum in Cambridge te bezoeken, is ondertussen geëvolueerd naar halve expedities aan de andere kant van de wereld. Deze keer had ik een reis naar Patagonië op poten gezet, en gezien ik enorm veel gehad heb aan bloggers wereldwijd qua planning en organisatie van deze trip, dacht ik om mijn ervaringen ter zake hier neer te schrijven en zodanig ook andere potentiële reizigers een paar stappen verder te helpen.

“Maar waarom zijt gij dan nog vertrokken?” krijg nu ik vaak te horen. Alsof al deze mensen over kristallen bollen beschikken die de huidige crisis konden voorspellen. Via een aantal OSINT accounts die ik volg op Twitter was ik reeds tot de vaststelling gekomen dat er een of andere Chinees een vleermuis had opgegeten die over datum was, en dat de bijhorende ziekte wellicht ging ontwikkelen tot een tweede SARS- of MERS-crisis. Dat was ergens begin januari, en ik prees mezelf gelukkig dat ik afgezien had van de originele plannen om naar Japan of Zuid-Korea te trekken. Op dat moment werd in onze pers amper gesproken over dit fenomeen en had ik ondertussen vliegtickets en verblijfplaatsen geboekt. Tegen eind januari bleek er toch iets meer aan de hand te zijn, doch hier was het nog steeds business as usual. De prepper in mezelf, die sowieso beschikt over een maandvoorraad (droge) voeding, dacht bij deze dat het wellicht geen kwaad kon om naar het diepe zuiden van Argentinië en Chili te reizen (er gebeurt daar toch niks) maar dat ik me bij terugkomst wel aan een aantal veranderingen kon verwachten. Een economische malaise of zo. Het tijdelijk stopzetten van de handel met Azië en daardoor een hoop miserie alhier omdat het gros van onze producten ginder geproduceerd worden. Of mainstream media die sensatie verkopen en klootjesvolk dat begint te hamsteren, zoals ten tijde van de Golfoorlog. Maar ook niet meer dan dat. Ik had bovendien nog zeker 2 pakken wc-papier.

IMG_20200327_094524Wanneer dan ook onze nationale griepcommissaris vertelt dat er niets aan de hand is en iedereen gerust mag gaan skiën, zag ik niet in waarom ik niet naar een land mocht reizen waar er überhaupt niets aan de hand was. Onze Italiaanse afdeling in Milaan beweerde dat alles onder controle was en we ons ook niet al teveel zorgen dienden te maken. Het was maar een soort griep weet u. Ik had er beter aan gedaan om de steeds duister wordende tweets van bovenstaande OSINT-kanalen ernstiger te nemen dan de mainstream media, maar ondertussen zat ik op het vliegtuig naar Argentinië.

Air Europa sucks, en dan vanwege het zure gezicht van de stewardessen en het beetje eten dat je kwijt kan in een holle tand, maar de Boeing 787 was best comfortabel. Ik had beter wat meer betaald om met Iberia te vliegen maar je probeert steevast hier en daar wat af te pingelen. Toen wist ik echter nog niet dat ik al snel met datzelfde Iberia zou terug vliegen. Zonder probleem in Argentinië aangekomen, en bijzonder vlot onze connectie gemaakt naar El Calafate in Patagonië, waar er nergens iets te merken was van de Covid-scare die zich ondertussen op andere plaatsen in de wereld begon af te spelen. We bezochten de Perito Moreno gletsjer onder perfecte omstandigheden en een dag later waren we onderweg naar El Chalten, alwaar we de iconische Fitz Roy trek gingen ondernemen. Een dubbeltje op zijn kant als we naar de laatste weerberichten keken, maar op de dag zelve zijn we onder schitterende omstandigheden dit stukje Andes gaan beklimmen en dit kunnen ze ons alvast niet meer afnemen.

2020-03-13_12-29-03

Het was tijdens de afdaling dat me een en ander begon te dagen. Ik kwam in gesprek met een aantal lokale begeleiders van groepen die wisten me te vertellen dat het “gerucht” de ronde deed dat Argentinië en Chili hun grenzen gingen sluiten. Nu ja, geruchten, tot we terug in het dorp kwamen en eindelijk wifi hadden. Het nieuws werd bevestigd door een aantal kranten en door de eigenaar van ons hostel, doch het leek in de eerste plaats een soort van paniekreactie te zijn waar niemand eigenlijk wist hoe het verder moest. Mijn reisgenoot was iets of wat de kluts kwijt en wist niet meteen wat er nu diende te gebeuren, doch vanwege de onheilstijdingen die uit Europa kwamen had ik ondertussen dan maar zelf de harde beslissing genomen om te kappen met de reis, zeker toen we dat andere gerucht hoorden waar Chili zijn landgrenzen sloot.

De volgende ochtend werd er officieel bevestigd dat deze landgrenzen inderdaad sloten, en dat ook alle nationale parken off limits waren. Bij deze had het dus ook officieel geen zin meer om nog te proberen de reis verder te zetten. Ik heb – gelukkig – de gewoonte om nooit accommodatie te boeken die ik niet minstens 24 uur op voorhand kan annuleren en dat geldt ook voor huurauto’s. Het opzeggen van al deze afspraken was dus zonder schade gebeurd, doch nu stelt zich de vraag wat we moesten aanvangen. “Stoemmelings” terug vliegen naar België of wachten tot onze normale terugkeerdatum? Ik had reeds onze ambassade gecontacteerd, maar ook daar was men even het noorden kwijt en probeerde men vooral in kaart te brengen hoeveel landgenoten zich waar bevonden. Ik kreeg het advies om zo snel mogelijk terug te reizen, gezien men niet zeker was hoe lang het Argentijnse luchtruim nog ging open blijven. Ondertussen stond zowat gans ons hostel op stelten en zag je enkel nog backpackers die druk bezig waren op de smartphone; deze keer niet om hun foto’s op Instagram te posten maar om zo snel mogelijk een ticket naar huis te bemachtigen.

Een ronduit onwerkelijke sfeer, die nog onwerkelijker werd, toen we door de plaatselijke Policia en Bomberos in quarantaine op onze kamer werden gezet. Veertien dagen. Punt. Wellicht op straffe van executie of zo. Onze kamers bevonden zich rond een binnenpleintje waar we dan door het raam en de open deur (dat mocht wel) met de andere backpackers konden communiceren. Zo werd het snel duidelijk dat we onze cel mochten verlaten van zodra we in het bezit waren van een ticket dat ons zo snel mogelijk huiswaarts kon brengen. Ondertussen hadden de meeste luchtvaartmaatschappijen hun vluchten ook gecanceld met enkel een voucher als compensatie. Het was ook onmogelijk om een helpdesk te bereiken en aldus was het snel beslist om kost wat kost te maken dat we daar weg kwamen. Via de smartphone had ik tickets gekocht naar Buenos Aires en verder naar Sao Paulo met Aerolineas Argentinas, gezien – weeral- het gerucht de ronde deed dat enkel Aerolineas nog binnenlandse en regionale vluchten mocht uitvoeren. Sao Paulo of Rio bleek dan de enige optie om snel in Europa te geraken daar plots het merendeel van de internationale vluchten van en naar Buenos Aires geschrapt waren of overvol zaten.

Dat heeft ons uiteraard een smak geld gekost, zeker wanneer je weet dat de Iberia-vlucht van Sao Paulo naar Amsterdam via Madrid evenveel kostte als de twee vorige segmenten. Duizend ballen in totaal, maar het kon me op dat moment weinig schelen gezien ik nu écht wel wou maken dat ik daar weg was. Na een kort onderzoek door een lokale dokter kregen we een certificaat dat ons toeliet om de reis te maken, en uiteraard werd er nergens naar ditzelfde certificaat gevraagd; niet door de policia, niet door de gendarmeria … We kwamen zonder verdere incidenten aan in Buenos Aires, waar er ondertussen reeds heel wat toeristen – die aan quarantaine ontsnapt waren – op de luchthaven rondliepen en die ter plaatse nog (perperdure) tickets probeerden te bemachtigen. Zo was het ondertussen onze beurt geworden om in te checken voor de vlucht naar Brazilië.

“You can’t fly to Brazil mister. They will stop you at the border and we will get in trouble for allowing you on the flight” zei de baliebeambte tegen me. Qué? Dat bleek dus later ook een gerucht te zijn dat de ronde deed onder het personeel van de luchthaven. Naast ons twee Nederlanders die in een Franse colère schoten omdat ze hetzelfde te horen kregen. Op zo’n moment is het uiteraard handig om in de luchtvaart te werken en een scan van je personeelsbadge mee te hebben. Ik maakte de bediende van Aerolineas aldus diets dat ik operationeel manager ben bij een zeer grote luchtvaartmultinational, dat hij ons niet kon weigeren gezien we over legale papieren beschikten, een geldig ticket en er van visa geen sprake was. Dat er bovendien niets in de “Notice to Airmen” stond vermeld over eventuele sanitaire beperkingen op Sao Paulo Airport. Dat ik zijn luchtvaartmaatschappij ging later overkopen door mijn multinational en dat hij vervolgens ging gedegradeerd worden tot toiletkorvee en op zijn minst de Gestapo aan zijn deur kon verwachten als hij ons niet meteen kon inchecken.

Dat laatste is uiteraard niet helemaal waar, maar ik heb vervolgens met de Supervisor gesproken en na een parlé van een kwartiertje werden we ingechecked. Wellicht heeft de man dan maar toch even gebeld met zijn Operations Control Centre in plaats van onnozele geruchten achterna te lopen. Ik was eventjes een zenuwtoeval nabij (stel je voor dat we daar vastzaten en toch weer 14 dagen in quarantaine moesten?) maar een tijdje later zaten we op het vliegtuig naar Sao Paulo en hadden we in de twee Nederlanders nog toffe lotgenoten gevonden ook. Zo hebben we toch even een voet buiten de luchthaven van Sao Paulo gezet om vast te stellen dat we inderdaad geen tijd hadden om deze wellicht razend interessante stad te bezoeken (en al zeker niet omdat Corona ook daar aanwezig bleek te zijn) en na met ons vieren de voormiddag doorgebracht te hebben op de luchthaven, waar de (échte) Caipirinha’s goedkoper zijn dan bij ons op café, zaten we eindelijk op het vliegtuig naar Madrid. Terug naar Europa.

Het boordpersoneel droeg mondmaskers en latex-handschoenen en wie durfde hoesten (al was het maar een klein kuchje) kreeg meteen het boze oog van de 300 andere passagiers en riskeerde om overboord gegooid te worden. Ook ik had mijn masker op. Toen ik vertrok was er sprake van een aantal Covid-gevallen rond Madrid en ik meende dat het misschien een goed idee om deze maskers mee te nemen net zoals Aziatische reizigers dat doen. Je weet maar nooit dat het daar een probleem wordt daar in Madrid, maar in België zal het wel zo’n vaart niet lopen, laat staan in Patagonië. Het is immers een lelijk griepje en niet meer. Right? Zonde ook om halsoverkop uit Zuid Amerika te vertrekken en onder prachtige weersomstandigheden boven het uitgestrekte Brazilië te vliegen zonder de kans te krijgen om dit land te bezoeken. Afin, een nachtje vliegen en we stonden aan de grond in Madrid, alwaar ik er in geslaagd ben om quasi niets – quasi niets (!) – aan te raken op die twee uur dat ik er diende te wachten op mijn connectie naar Amsterdam. Ik heb er ook zeker twintig keer mijn handen gewassen.

In dit soort crisistijden wordt het kaf ook onmiddellijk van het koren gescheiden en kom je tot de vaststelling dat er een flink aantal idioten rondlopen op deze aardkloot. Zo kwamen we aan in de internationale terminal en dien je een treintje te nemen naar de Europese terminal, waarbij het gros van de transitpassagiers zichzelf op een grote hoop in dat treintje wurmen, uit angst dat de volgende vlucht zonder hen zou vertrekken. Zelf bleven we met een aantal anderen wachten tot de volgende trein alwaar we – zoals gevraagd door de luchthaven – de regels van social distancing konden respecteren. Op het vliegtuig naar Amsterdam werden we zoveel mogelijk uit elkaar gezet om vervolgens in Nederland aan te komen, waar er op Schiphol niets aan de hand leek. Het was dan ook onwezenlijk om alleen op de trein naar België te zitten en thuis aan te komen om mezelf af te vragen wat ik nu eigenlijk allemaal had gedaan in die laatste 48 uur.

Dat wou ik nu eens even kwijt.

Ijsland – de finale

     IMG_20150531_135353 Met enige weemoed keek ik naar de skipistes in de heuvels van Akureyri, die mijns inziens nog met meer dan genoeg sneeuw voorzien waren, maar ook daar was het seizoen reeds een paar weken afgesloten. Spijtig – dit was een niet alledaagse plaats geweest om op de latten te staan! Afin, de dag na het bezoek aan de noordelijkste stad van Ijsland stond in het teken van een flinke rit, die stilaan – helaas! – terug naar het zuiden zou afbuigen.

Omdat ik een goeie tip had gevonden op een blog ging het eerst richting Grettislaug, wat zowat het noordelijkste punt van onze reis ging worden op een kleine 100 km van de poolcirkel en gelegen aan de Groenlandzee. Of we ginder gingen overnachten was nog een vraag, gezien we niet wisten of de plaatselijke “camping” – een weide in een godvergeten gat, enkel bereikbaar via een lange gravel road – reeds open was, maar het vooruitzicht om ter plaatse te kunnen gebruikmaken van de spotgoedkope hot pool (dat hete water komt daar zomaar uit de grond, zoals op zovele plaatsen in Ijsland) leek ons toch een leuk vooruitzicht. Ter plaatse bleek de accommodatie – er was ook een kleine guesthouse – nog maar nét operationeel, en de snijdende ijskoude wind maakte dat we toch maar een eindje doorreden naar iets rustiger oorden. In het prachtige Hrútafjörður vonden we de ideale overnachtingsplaats, inclusief gratis hot pools (!) en met dank aan Lonely Planet, en waren we weeral een flink stuk gevorderd voor de laatste etappes richting Snæfellsnes.

Dit grootste schiereiland van Ijsland had alleszins nog een heleboel te bieden. Zo was er uiteraard de obligatoire passage voorbij de Kirkjufell, die u misschien al een eerder op prentjes hebt gezien, en vorderden we daarna flink door naar de Snaefellsjökull die ons voor de laatste keer zou doen kennismaken met een gletsjer. Helaas … Ook daar waren een groot deel van de bergwegen nog niet vrijgemaakt en bleef het dus bij fenomenale vergezichten ergens op de sneeuwgrens. Daarentegen maakten we kennis met het alleraardigste mos – waar gij u zo op kunt neervlijen – ergens in een lavaveld (hoe kan het ook anders!) en waar het schijnbaar een ideale wildkampeerplaats bleek te zijn, daar de beste plaatsen, aan de rivier, reeds ingenomen waren. Om zeker te zijn dat we de dag nadien op tijd Reykjavik zouden bereiken hebben we dan toch maar geopteerd voor een camping op het zuiden van het schiereiland, en waar ik – aan het vriendelijke Nederlandse koppel, dat naast ons de tent opsloeg – bewezen heb dat ik soms ook sociaal kan zijn (en dat viel best mee; de vakantiestemming zal er voor een en ander tussen gezeten hebben veronderstel ik :-))

Om toch nog even van het prachtig natuurschoon te genieten alvorens terug de stad in te trekken, werd er nog een omweg gemaakt via het binnenland, waar we in stralende zon de  Barnafoss bezochten, en ik nog een poging deed om via een bergweg en een aantal gletsjers richting de hoofdstad te trekken, maar waar wewederom helaas – rechtsomkeer dienden te maken bij een stel sneeuwruimers die nog een boel werk voor de boeg hadden.

De rit naar Reykjavik was “uneventful” en het was zelfs iets of wat spijtig om terug in de “bewoonde wereld” terecht te komen. Een toch wel gezellige stad, dat Reykjavik, waar een flinke brok cultuur kan gecombineerd worden met de betere Ijslandse cuisine en waar we zowaar de Ijslandse president tegen kwamen, want wie anders rijdt er rond met een dikke zwarte bak met Ijslandse nummerplaat “1”? De dag werd besteed met sightseeing en de aankoop van wol, een paar schapen waard, en waar Penelope haar bagagequota flink op had voorzien.

Ze had ’t dan ook verdiend, gezien ik haar bij deze, met trots, de medaille van moed, zelfopoffering en ijskoud kamperen mag aanbieden, zeker omdat ze tot nu toe slechts één keer gekampeerd had en dan nog wel in het zomerse Frankrijk. Een flinke prestatie! Het had dan ook gerust een stuk langer mogen duren, en wellicht komen we hier nog eens terug – er is hier nog zoveel te zien! Een ander record werd dan weeral gevestigd toen ik de dag na onze terugkeer op het werk aankwam, en mijn vakantiesfeer ditmaal binnen de 15 minuten volledig verdwenen was, waar dat vorig jaar nog een uurtje had geduurd. Maar dat is een ander verhaal. Afin, om te besluiten: Ijsland – dat moet ge doen!

Ijsland! Deel 3

IMG_20150528_122950-PANO

Ik ging er maar van uit dat er toch ergens op onze route nog een winkeltje met kampeermateriaal zou te vinden zijn, want de nacht, op een zachtjes aflopende matras, was toch maar aan de frisse kant geweest. Na het afbreken van de tent – waar we ondertussen erg vlot in werden – werd koers gezet richting Jökullsarlon, waar het gletsjermeer met rondrijvende ijsbergen (-jes) spektakel beloofde. Waarlijk wonderlijk om zien, en in de buurt ligt er nog een minder druk bezocht, quasi identiek, gletsjermeer – Fjallsárlón – dat een parochie eerder ligt en met zijn fenomenale stilte mijn hart onmiddellijk bekoorde. In dezelfde contreien vindt ge ook de Flaajökull alwaar gij – jochei! – over een hangbrug tot aan de voet van de gletsjer kunt geraken. Toch was ik dit keer meer dan tevreden dat ik een dure koffie kon slurpen in de drukke “cafetaria” van Jökullsarlon waar ik dan toch even via de wifi kon kijken of ik nog ergens aan een nieuwe matras kon geraken, en het moest toch weeral eens lukken dat dit in onze volgende stop – de “stad” Egilsstadir – voor mekaar zou komen.

Via een stuk van de prachtige Oost-fjorden ging het over de Öxi-pas – een aanradertje voor de sportievere chauffeurs onder ons – naar het eerder vernoemde Egilsstadir, waar gij godbetert hele bossen kunt terugvinden. Niet het soort van dichte wouden zoals wij deze kennen – eerder een uit de hand gelopen collectie kerstbomen – maar toch een aanwijzing dat de Ijslanders de herbebossing van hun eiland meer dan ernstig nemen. Gezien de kampeerwinkel gesloten was, en we aan elkaar grif toegaven dat de koude van de laatste dagen toch ietwat in de botten gekropen was, besloten we die nacht in een guest house door te brengen. Dankzij het feit dat we nog in het laagseizoen waren viel de prijs al bij al mee voor een dubbeltje met gedeeld sanitair (75€), daar waar die prijs, een aantal weken later, vlot naar de 140€ schiet. Ge kunt het de Ijslander daarentegen ook niet echt verwijten gezien zij hun winsten uit drie maanden hoogseizoen moeten halen. Het deed alleszins deugd om een hete douche te nemen en te slapen tussen verse lakens op een gloednieuwe kamer mét verduisterende gordijnen!

De volgende stop lag dan weeral een paar honderd kilometer verder – nadat gij door een maanlandschap rijdt waar gij niks, maar dan ook niks (!) tegenkomt – en bevond zich rond het Myvatn meer, welk bekend staat vanwege zijn geothermische “activiteiten”. Ook hier IMG_20150527_152207hebben we flink wat lol beleefd aan de fumarolen, solfataren en andere hete modderpoelen, en de “geur” van de hete dampen namen we er – met temperaturen rond het vriespunt – graag bij! Deze plek was zowat de enige plaats op onze reis die nog niet helemaal doorhad dat de lente weeral begonnen was. Ook de Sellfoss, die we op de weg naar hier bezochten lag nog onder een dik deken van sneeuw. Een aardigheidje in deze omgeving is Grjótagjá, dat tot voor kort quasi onbekend was, maar nu hele drommen toeristen trekt omdat Jon Snow hier Ygritte alle hoeken van deze grot liet zien. Dit is dan ook de omgeving die figureerde in “Game of Thrones” als “beyond the wall” en ik kan enkel beamen dat deze locatie perfect is. Die nacht kreeg onze tent nog ijsregen en sneeuwnaalden te verduren, en waren we maar al te blij dat we onszelf te week kondenIMG_20150527_203354 leggen in de Jarðböðin við Mývatn (Myvatn Nature Baths) wat zo ongeveer hetzelfde is als de beruchte Blue Lagoon, maar minder druk en bovendien een stuk goedkoper. Een klein akkefietje met de douches die door een defect plots koud water spoten, en een Penelope in topvorm die nogal goed kan onderhandelen ter compensatie, maakten dat we de dag nadien nog eens “voor niets” in de warme poelen konden drijven, nadat we een stevige wandeling maakten naar de kraterrand van de Hverfjall, alvorens richting Akureyri te trekken. Die andere fameuze krater en landmark – Viti – was helaas volledig dichtgesneeuwd …

Vooraleer we in de tweede stad van Ijsland aankwamen werd er nog eens gestopt bij de GodafossIMG_20150528_171720  – weeral een prachtige waterval – alvorens naar de stad te trekken en toch maar weer eens voor de plaatselijke jeugdherberg te kiezen, waar we voor een schappelijke prijs in een piepkleine kamer de nacht konden doorbrengen. Niet dat we niet wilden kamperen, maar de camping was simpelweg leeg, en het leek ons beter om een uitvalsbasis te hebben die iets korter bij het stadscentrum lag.

IMG_20150529_115648Akureyri, dat al tot mijn verbeelding sprak sinds Kuifje er met de Aurora aanlegde, is zowat het kruispunt van het noorden van het eiland en was eigenlijk best een gezellige stad te noemen, hoe klein deze plaats naar onze normen wel was. Ook zal je hier hele kuddes aangespoelde Amerikaanse bejaarden tegenkomen vanwege de vele cruiseschepen die hier aanleggen. Spijtig dat er in de botanische tuin nog niet teveel te beleven viel, maar de “lentezon” en de “exotische” vliegtuigen die van hier naar Groenland vertrekken (knalrode Twin-Otters!) maakten veel goed. Bovendien verstuurde ik voor het eerst in lange jaren postkaarten, en niettegenstaande we hier in de buurt van de poolcirkel toefden, waren ze reeds op het thuisfront gearriveerd alvorens wijzelf terug waren. Een bank vooruit voor de Ijslandse post!

Wordt vervolgd!