Het verslag

Het spreekt voor zich dat ik geen-goesting-hebbende-en-toch-maar-gegaan-zijnde naar de dorpsfeesten, u toch geen kleine situatieschets ter zake kan onthouden.  Zoals ik u in mijn vorig bericht stelde, begint dit jaarlijkse bacchanaal met het traditionele wandelconcert van de fanfare – alwaar ondergetekende als ex-muzikant braaf naast de vlag mag lopen – om aldus bij elke stand van de deelnemende verenigingen een serenade te brengen die vervolgens met een pint of twee wordt overgoten.  Acht pinten waren het, gezien er nog maar één (1) café en drie (3) locaties overblijven waar er überhaupt iets te beleven valt.  Een mager beestje vergeleken met de jaren van weleer, waar het noodzakelijk werd om water en koffie te consumeren om de fanfare – letterlijk – op het rechte pad te houden.  Afin, plichtsgetrouw en niet geheel tegen mijn zin heb ik aan dit stukje teloorgaande traditie deelgenomen, daar het dit keer wel eens de laatste keer zou kunnen zijn.  De nekslag wordt verwacht wanneer de bejaarde cafébazin er de brui aan geeft, en er dus – als God ’t belieft – nog een drietal verenigingen hun vreetfestijnen toevallig op dezelfde dag zullen laten plaatsvinden.

Sentimentele nostalgicus zijnde, word ik daar niet bepaald vrolijker van, en heb ik me nadien, op het vreetfestijn van mijn vereniging en dus bovenvernoemde fanfare, aan den noeste arbeid gezet.  Mijn traditionele plaats achter de tapkraan werd reeds ingenomen door een of andere snoodaard, en zodus werd ik onder lichte dwang ingedeeld in de keuken om fritten te bakken.  Uiteraard tegen mijn zin, vanwege het feit dat ik daar zowat de enige man was tussen een hoop gepensioneerde madammen, waaronder twee nog echte (!) en levende nonnetjes, en ik als dommekracht werd gebruikt om de zware manden friet in en uit de industriële friteuse te heffen.  Maar alla, an sich viel het – afgezien van de vettige dampen – nog best mee, gezien de dames mij op tijd en stond voorzagen van het nodige gerstenat, op dat ene schoonheidfoutje na, toen één der oude nonnetjes al kirrend haar bewondering uitsprak voor dat heerschap dat tegenwoordig aartsbisschop is, en ik mezelf heb moeten bedwingen om het oude besje niet onmiddellijk in de friteuse te keilen, maar dat doe ik onze trouwe kermisklanten uiteraard niet aan.  Na een uur of drie tenenkrullend en hard-op-de-tong-bijtende labeur (het scheelde niet veel of ze was “te Lourdes op de bergen” beginnen kwelen) was het dan mijn beurt om me in het feestgedruis te storten.   Na een flukse douche uiteraard, want ik begon zowaar ossenwit te zweten.

Gelukkig was er daar ook mijn aloude kameraad, die net als ik, tot de weinigen behoort die het dorp verlieten om de wijde wereld in te trekken, en we aldus contemplerend van toog tot toog trokken en het hadden over wat er niet meer is, wat er nooit meer zal zijn, en dat wat daar absoluut niets aan kunnen doen.  Interessanter daarentegen is de inkijk in de sociale verhoudingen van ons dorp die ons – aan de tapkast – uit de doeken werden gedaan door diegenen die het kunnen weten en eigenlijk niets nieuws zijn.  Het betreft hier dan vooral de succulente redenen waarom sommigen – en reeds zeer vroeg op de avond – een gigantisch stuk in de kraag hadden, en men ze zelden nuchter ziet.  Kleine en grote verdrietjes, het een al ernstiger dan het andere, zoals de twee kerels die zich na een gruwelijk complex leven, dat ze zich zelf hebben aangedaan, op een pathetisch bezopen wijze door het leven slepen, maar ook de meer belachelijke toestanden, waarbij de winkelier – deze week nog – tot de vaststelling kwam dat zijn vrouw doorheeft dat hij naast de pot pist, en ze het beiden met een lang gezicht op een zuipen zetten omdat madam vanwege het geld niet wil scheiden.  Of de kerel die, 2 jaar na dato, nog steeds de breuk met zijn ex niet kan verwerken, en nu steevast de vrouw in kwestie, en haar nieuwe vriend, op een korte afstand volgt om dan met de blik van een geslagen hond naar het koppel te zitten staren.  Bezopen uiteraard.  Boeiend is uiteraard het feit dat het ganse dorp op de hoogte is, en het binnentreden van bovenstaande creaturen de hoofden doet draaien en de gesprekken onmiddellijk in een  geheimzinnig fezelen doet omslaan.  We schudden onze hoofden en bestellen er nog eentje.  Emoties, daar kan men hier niet mee om, en aldus dienen ze verzopen te worden.

Maar ook enig lof voor de jongelingen van de jeugdclub, die speciaal voor hun oudgedienden, en dus ook ondergetekende, de gepaste bieren op voorraad hadden en hun muziek aanpasten aan diegenen die voor het grote verteer zorgden.  Doch ondertussen had ik, en zeker na het ontmoeten – in bedenkelijke toestand –  van de schepen van cultuur, het besluit genomen om toch een halve bak Spa te nuttigen, en waarschijnlijk de enige te zijn die zonder nood aan Aspro en Alka-Seltzer de ochtend zou halen.  Dacht ik dan toch, want het frisse hoofd stond in sterk contrast met de rode vlekken op mijn lijf, die onmiddellijk deden terugdenken aan de oesters die ik een paar uur voordien stond op te slurpen.   Of misschien was het wel een of ander achtpotig beest dat me in mijn verdwaasde slaap heeft gebeten?  Ik weet het niet, de vlekken zijn weg, maar de feesten zijn dan toch op die manier markant geweest.

Advertenties

5 thoughts on “Het verslag

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s