Ijsland – het vervolg!

    IMG_20150525_112646-PANO(1)Onze tent had de regenachtige nacht goed doorstaan en gezien we over goede slaapzakken beschikken waren de lage temperaturen geen punt, behalve dan dat mijn matje was leegelopen en ik tegen de ochtend toch wakker werd met een kil gevoel in de botten. Het blijft wel wennen om met een muts te slapen en bijzonder interessant om “in het midden van de nacht” op te staan – om te waterizeren – en vast te stellen dat er quasi geen verschil is met de klaarlichte dag. De vogels fluiten gewoonweg door en de zon verwijnt maar even achter de horizon. De poolcirkel lonkt.

Wederom stond er een drukke dag op het programma, waarbij eerst richting Skogafoss werd getrokken – ook weeral zo’n fameuze waterval – om vervolgens het plaatselijke volksmuseum te bezoeken en zo ook al een stuk historie mee te krijgen. Beide zijn zeer de moeite en gelukkig hadden we voldoende tijd uitgetrokken voor het museum, niettegenstaande er nog een flink stuk gereden moest worden. Eerst kwam de vuurtoren op de rots van Dyrhólaey aan de beurt, waar er normaal gezien vele papegaaiduikers nestelen – en we gingen eigenlijk enkel en alleen voor de papegaaiduikers – maar ditmaal zat de rots vol met gewone meeuwen. Waar we niet op hadden gerekend was het wondermooie panorama bovenop de rots, met zicht op de zwarte stranden, de Eyjafjallajökull (jawel, dé Eyjafjallajökull – wij kunnen dat zelfs uitspreken) en de Reynisdrangar (basaltzuilen) op het even zwarte strand van Vík í Mýrdal, wat onze volgende stop was.

Ook op dit – prachtige – strand worden hele busladingen toeristen verstrooid die zich, statief en selfiestick in de aanslag, voor de eigenaardige basaltkolommen verdringen, net om de hoek bij de parking. Het volstaat echter om 100 meter verder te lopen om dezelfde formaties te zien en u te vergapen aan het natuurgeweld van de Atlantische Oceaan en u te verbazen over dit landschap dat zowaar van een andere planeet zou kunnen komen. Een Ijslandse cappucino, overbelaste wifi en een duur stuk chocoladetaart verder, trokken we naar Vík í Mýrdal zelve, alwaar wij nog dienden te tanken voor de volgende etappe die naar het nationale park van Skaftafell zou leiden.

Onderweg naar Skaftafell hielden we halt bij een van die minder bekende “hidden gems” van Ijsland om nog een korte wandeling te maken in – alweer – een formidabel landschap. Het betreft hier de canyon van Fjaðrárgljúfur (probeer dat eens driemaal na elkaar te zeggen). Relatief eenvoudig om te vinden maar de weg naar deze canyon is een gravelbaan vol putten en bulten, bezaaid met flinke keien, zodat we toch maar blij waren dat we hier niet met een gloednieuwe Toyota Aygo of andere schoenendoos op wielen waren. Toch zijn er mensen, en dat viel ons meermaals op, die een kleine goedkope wagen huren en dan toch proberen op wegen te rijden die normaal gezien enkel geschikt zijn voor 4×4’s, met alle gevolgen van dien wanneer achteraf de kleine lettertjes van het huurcontract onder de loep genomen worden. Zelf hebben we een aantal (stukken) van zogenaamde F-roads uitgeprobeerd (die al open waren) en ik kan u verzekeren dat ge daar met uw eigen wagen niet wilt komen en gij uzelve prijst voor de extra gravel protection en super damage waiver die gij gekozen hebt. Het moest maar eens verkeerd lopen … Wel enorme fun wanneer gij houdt van wat extra uitdaging bij het sturen en voor mijn part mag het zelfs meer van dattum zijn.

Bij het bezoeken van deze canyon – want ik wijk af – werden we nog op een ander aspect van Ijsland gewezen, waarbij het ons opviel hoe “open” de attracties zijn. Waar gij in de US of A alles van achter veilige borstweringen vol met disclaimers kunt aanschouwen zijn er hier veel plaatsen waar gij open en bloot tot bij al het natuurschoon kunt wandelen zonder ook maar tegengehouden te worden door één schutting. Het was dan ook totaal onverantwoord om mensen op het randje van deze ongeveer 100 meter diepe canyon te zien balanceren met – jawel – hun statief. Dat er hier niet meer de diepte zijn ingetuimeld, zeker bij de windvlagen die hier heel normaal zijn, mag dan ook een wonder heten. Alleszins een aanrader die Fjaðrárgljúfur- want ik week weer af – en het is best mogelijk om daar mooie foto’s te maken zonder uw nek te breken.

Goed geluimd, want de zon scheen, ging het vervolgens naar Skaftafell, wat voor mij persoonlijk toch een hoogtepunt diende te worden. In deze tijd van het jaar is het nationaal park nog niet al te druk bezocht en zou het dus fijn hiken worden naar de top van de Kristinartindar waar ge vanop zo’n goeie 1000 meter een fenomenaal zicht hebt op de Skaftafellsjökull (een gigantische gletsjer) en nog een heleboel even fenomenale gletsjers met al even fenomenale namen daaromheen. Op de weg naar het park rijdt gij door de Skeiðarársandur wat een onaards landschap is met aan de ene kant majestueuze gletsjers en aan de andere kant tientallen kilometers “niets” tot aan de oceaan. U merkt het aan mijn gebruik van superlatieven; ik was flink onder de indruk! De tent stond snel recht, niettegenstaande onder het mooie en lege grasveld keien en rotsen schuilden, en de van thuis meegebrachte “stevige” haringen goed hun dienst bewezen.

Waar ik mijn routeplanning met militaire precisie had ontworpen (locatie van tankstations, supermarkten, …) had ik over het hoofd gezien dat we op een zondag gingen aankomen in Skaftafell en ik helemaal geen stop had voorzien in een “deftige” supermarkt. Daar het park werkelijk in the middle of nowhere gelegen is en gij minstens 100 km dient te rijden alvorens een nederzetting, die naam waardig, tegen te komen, zat er niets anders op dan onze maaltijd bij elkaar te zoeken in het tankstation dat net buiten de camping gelegen was – op de camping waren de faciliteiten ook minimaal – en die avond schafte de pot een interessante – en best smakelijke – mix van bonen in tomatensaus, tonijn, rijst en nachosaus om er een pikante toets aan te geven.

Die “nacht” hoorde ik voor het eerst het baltsen van de snip en gezien ik geen beschikking had over wifi hield dat beest me niet alleen uit de slaap maar kon ik haast mijn muts opvreten omdat ik die vogel niet onmiddellijk kon identificeren (zo ben ik nu eenmaal). Daarentegen was het gebrek aan slaap ook te wijten aan een plat matrasje en deze keer kon ik niet anders dan vaststellen dat het zijn beste tijd had gehad. Wel een probleem met de koude ondergrond en uiteraard vind je daar niet zomaar een outdoor shop … Ik liet echter mijn plezier niet vergallen, ook al was de top van de Kristinartindar niet bereikbaar vanwege de dooi, maar de wandeling tot ongeveer driekwart hoogte van de berg – super panorama en oorverdovende stilte – alsook de afdaling via Svartifoss maakten mij een happy camper – letterlijk. Die avond werden er weer bonen, tonijn en rijst gegeten, sliep ik plat op de grond en vroeg ik mij af hoe die vogel heette die het geluid maakt van een kapotte stofzuiger …

Binnenkort meer!

Advertenties

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s