Wanderlust

wanderlust

noun [ U ]

uk /ˈwɒn.də.lʌst/

us /ˈwɑːn.dɚ.lʌst/

a strong desire or urge to travel and explore the world.

Ik heb daar ook last van, en tijdens deze gehele corona-ellende kwam dit sentiment vaak bovendrijven. Escapisme uiteraard, maar ook de oprechte goesting om nieuwe dingen te ontdekken.  Het helpt natuurlijk niet om vanuit het kantoor dagdagelijks vliegtuigen te zien opstijgen.   Ik kan smachten naar de andere kant van de wereld, en wanneer ik dan eindelijk ter plaatse ben aangekomen last krijgen van een onbepaald soort heimwee, om dan eenmaal terug thuis opnieuw te verlangen naar verre einders: ik kan dat allemaal.  Het is een beetje zoals bij Bilbo Baggins, die net zoals iedere Hobbit een voorkeur had voor huiselijkheid en het bekende, maar toch ergens die vonk van reislust had.  Schijnbaar omdat een van zijn voorouders met een elf getrouwd was en alle nakomelingen nét iets anders waren dan normale Hobbits.  Ik moet aldus mijn stamboom eens nakijken.  Maar dit alles om u te zeggen dat ik na twee lange jaren – eindelijk – weer eens de grote plas ben overgevlogen.

Ditmaal geen exotische bestemmingen, maar een bezoek aan de neef van mijn reiskompaan, die reeds jaren in Florida woont.  Niet alleen de wanderlust, maar ook de belachelijk goedkope prijs van de tickets zorgden ervoor dat er snel plannen werden gesmeed.  Bovendien was het een eeuwigheid geleden dat ik nog eens in de Joenaajted Steets was geweest.  Dat land waar ik als klein jongetje een zekere obsessie mee had, gezien het daar – volgens de toenmalige TV-series – steeds groter en beter was en omdat de zon daar altijd scheen.  Afin, een land waar veel herkenbaar is en toch zo verschillend, en het is er, merkte ik nu, niet eenvoudiger op geworden om alles binnen onze context te kaderen. Er zijn de herinneringen aan een aantal formidabele trips in vervlogen tijden, en dat stuk van mijn professionele vliegopleiding dat ik indertijd aan de Westkust voltooide, en bijgevolg was ik benieuwd of die magie nog steeds aanwezig was.  Mind you: Florida stond nooit echt op de bucketlist. Strandvakanties en pretparken interesseren me niet, en wie mij kent weet dat ik het eerder heb begrepen op woest natuurschoon en dat is in Florida ver te zoeken.  Lag het aan mij dan ging het nog eens richting Nationale Parken, maar dit was dan wel hét uitgelezen moment om Cape Canaveral te bezoeken, en laten we zeggen dat dit voor mij het belangrijkste objectief van deze reis was. Het kleine jongetje in mezelf heeft immers meer dan 40 jaar moeten wachten om die plaats te bezoeken waar de toenmalige helden van Apollo naar de maan vertrokken.

In Madrid (tussenstop) viel het ons op dat het exact twee jaar geleden was dat we voorbij diezelfde gate kwamen gewandeld waar we toen halsoverkop uit Zuid-Amerika terugkwamen en nog niet wisten dat het corona-beestje ons die hele tijd aan de grond ging houden.  Bij deze dus een welgemeende middenvinger naar het virus, niettegenstaande de mondmaskers ginds – in tegenstelling tot BRU – nog verplicht waren.  Ook niet prettig was de verplichting tot testen – alvorens naar de VS te reizen – waardoor ik de laatste dagen met een soort van Zwaard Van Damocles boven het hoofd rondliep.  Een ganse opluchting om “negatief” te testen en eindelijk “écht” uit te kijken naar de reis.  De overprijsde hamburger en het matige bier in de luchthaven werden met de mantel der liefde bedekt en alras zaten we opgeplooid in de economystoeltjes (“Cattle Class” voor de insiders) van een Boeing 787. Ik was verbaasd om vast te stellen dat zowel de vlucht van BRU naar MAD, alsook de vlucht naar MIA bomvol zaten, en het – Oekraïense toestanden incluis – toch beter lijkt te gaan met de luchtvaart dan ik dacht, en maar goed ook, gezien dat mijn boterhammen en deze reis betaalt.  Wel vervelend om 9 uur met een mondmasker op de voorgevel te functioneren, maar schijnbaar nog niet vervelend genoeg voor de man die naast mij zat en – niettegenstaande iedereen geboosterd en getest – 2 maskers over elkaar droeg.  Behalve dan om de pieren uit zijn neus te halen – ik hebos u gezienos hoor Pedro! Ik sliepos nietos!

Negen lange uren later stond ik aan te schuiven bij Immigration (waar ze naar aloude traditie ook de pieren uit mijn neus vroegen; niet diezelfde van de Pedro uiteraard) om vervolgens half verdwaasd aan te komen in een of ander airport hotel dat we voor die nacht hadden geboekt.  Erg bevreemdend om plots rond te lopen bij een temperatuur van boven de 25° tussen wat overduidelijk geen plastieken kokospalmen waren. 

Een korte nacht later – jetlag, en de Kompaan zijn pathologische snurken dat nu zelfs door oordoppen heen komt –  waren we op weg naar Saint Augustine, dat de titel draagt van oudste nederzetting van de continentale US.  Uiteraard een toeristische trekpleister die  – lijkt me zo – het soort Amerikanen aantrekt dat nog nooit een voet buiten eigen land heeft gezet en hier hoopt een vleugje Europa op te snuiven.  Niks op tegen uiteraard, alhoewel ze misschien wat bedrogen uitkomen.  Er is een mooi representatief Spaans Fort uit de 17e eeuw en een bijhorend “colonial” stadje  – in feite een grote wandelstraat – dat vooral in recentere tijden het daglicht heeft gezien maar vooral rond commercie is gebouwd.   Leuk voor de liefhebbers, maar we hadden het op een paar uurtjes gezien.  Mijn inwendige persoon was dan weeral enorm onder de indruk (met nadruk op “druk”) van hetgeen ik de avond tevoren voorgeschoteld kreeg in een plaatselijke diner.  Het was dan vooral vettig en zout, en dat in combinatie met de jetlag deed me de volgende dagen vooral salades eten.  Kompaan en Kozijn lieten het niet aan hun hart komen en doken in de eerste Brew Pub (van velen).   Gezien Florida het Blankenberge van de VS is, had ik reeds wat opzoekwerk verricht om toch een en ander te kunnen bezoeken wat meer in de richting van historie en natuur ging.

Zelfs Kozijn van de Kompaan – ondertussen tot Amerikaander genaturaliseerd – was nog nooit in het uiterste noorden van de staat geweest, waar we op Amelia Island een oud fort uit de burgeroorlog bezochten.  Helaas was dat niet in het weekend, want anders hadden we er nog een re-enactment bij gekregen.  Een interessante omgeving, waar de Atlantische Oceaan een stuk frisser was, maar het tegelijkertijd een stuk rustiger was.  Ook een plaats waar de natuurlijke vegetatie van Florida in al zijn glorie aanschouwd kon worden.  Ergo, moeras, met zwemmende handtassen en veel bomen bedekt met dat typische Spaanse mos.  Ik was niet geheel ontevreden met dit tripje door het plaatselijke State Park en omliggende parochies, dat me toch een idee gaf van La Floride profonde.  Kompaan en Kozijn keken daarentegen reeds uit naar de volgende Brew Pub, en na een niet al te onaardige maaltijd (Clam Chowder!) namen we een Uber naar het plaatselijke “dorp” waar een lokaal Watering Hole veelbelovend leek.  Of het nu was omdat we daar in Trump Country rondliepen weet ik niet, maar de plaatselijke Uber-chauffeur leek niet echt opgezet met die foreigners en hun Duits klinkende taaltje. Onze vragen en opmerkingen – hoe vriendelijk ook –  werden met een droge “yip” beantwoord.  Toen we bij terugkomst met dezelfde chauffeur terug naar het hotel reden en met een blijgemutst (Brew Pub) “Evenin’ Sir! Here we are again!” in de wagen stapten – “yip” –  dacht ik dat het misschien niet zozeer aan Trump lag maar dat die man een spraakgebrek had of zo.  Of in de plaatselijke diner had gegeten.  Wie weet.

Ondertussen was het reeds woensdag, en was mijn Hoogdag (met hoofdletter “H”) aangebroken.  Herinnert u zich, hoe u, als kind, helemaal opgewonden op weg was naar de kermis?  Ik had dat gevoel, toen we de brug overstaken naar het legendarische Kennedy Space Center.  Heerlijk was het, om het wereldberoemde “Vehicle Assembly Building” te zien opduiken, en een hele collectie raketten die zo uit de boekjes van mijn jeugd kwamen.  Kompaan en Kozijn waren er een aantal jaren geleden reeds geweest, maar dit keer kregen ze er een gratis rondleiding bij.  Het is namelijk bijzonder profijtelijk om uw eigen gids te kunnen zijn.  Ik kom uiteraard superlatieven tekort om al de wondere tuigen die ik zag te kunnen beschrijven – ik heb zelfs een maansteen(tje) aangeraakt! –  en ik heb mij flink moeten inhouden in de Gift Shop.  Het is uiteraard allemaal flink op z’n Amerikaans ingericht en soms had ik het gevoel in een of andere blockbuster rond te lopen (letterlijk achtergrondmuziek met de soundtracks van de laatste Star Trek films en oa. Apollo 13) maar mijn dagje was goed!  Minpuntje: door covid-restricties (?) reed de bus niet tot aan de lanceerplatformen en heb ik de SLS (dé nieuwste maanraket) slechts van in de verte gezien.  Het zij zo.

Diezelfde avond ging het naar Tampa, waar Kozijn woont, en we de volgende dagen gingen doorbrengen.  Ondertussen was Kompaan tot de vaststelling gekomen dat hij nog een of ander concert wou bijwonen dat zich toevallig op de weg bevond – het vrij toegankelijke gedeelte van het Universal Studios pretpark –  en gezien het onze meug niet was hebben Kozijn en ik aldaar een paar uren gewacht in een of andere strandbar terwijl Kompaan ergens tussen getatoeëerde baarden stond te headbangen. Dat laatste was dan ook geen probleem daar Covid, wat de Amerikanen betreft, volledig voorbij is.  Op een paar openbare plaatsen na is er geen mondmaskerplicht meer en het was eigenlijk bijzonder aangenaam om eens volledig terug in het “oude normaal” te zijn (en hopelijk blijft dat zo!). Aldus voor één keer een strandbar en geen Brew Pub.  Had ik u al verteld dat Kompaan en Kozijn iets hebben met brouwerijen en zelf ook bier brouwen? Bij deze, moest het niet geheel duidelijk zijn.  Een beetje een hype ook naar het schijnt.

De rit naar de westkust verliep daarentegen fluks, en niettegenstaande het reeds flink donker was, kon ik vaststellen dat Kozijn niet slecht geboerd had en zelfs een mooi zwembad in de tuin had liggen.  Er zijn slechtere weiden om in terecht te komen! De volgende dag werd er een poging ondernomen om nog ergens manatee’s te spotten, doch het was reeds laat in het seizoen en die beestjes hadden waarschijnlijk besloten om betere oorden zonder toeristen op te zoeken.  We hebben wel kleine haaien en stingrays gezien, alsook de alomtegenwoordige pelikanen die zich van al dat volk weinig lijken aan te trekken.  Door een paar flinke (warme) regenbuien hebben we op die voorlaatste dag eigenlijk niet veel meer beleefd dan wat op de bonnefooi rondstruinen in de stad en aan de waterkant (ook niet slecht). Die bonnefooi, bleek voor Kompaan en Kozijn vooral uit Brew Pubs te bestaan. Ik heb onze jongens uiteraard in hun hobby gesteund, en met wat ik die week aan allerhande IPA’s had binnengespeeld kon ik zo stilaan mensen met mijn adem ontsmetten in plaats van te besmetten. Every cloud has a silver lining.

Om terug richting Miami te gaan, had ik er voor gekozen om eens een Amerikaanse trein te nemen.  Een keer het ticket gekocht viel de prijs best mee, niettegenstaande de website van Amtrak nog waardelozer is dan wat de NMBS en consoorten voortbrengen (het kàn!). Best wel een aparte ervaring waarbij je niet zomaar naar goeddunken opstapt maar naar de juiste wagon wordt gedirigeerd door anders best wel aardig personeel.  Diezelfde avond had ik ook nog eens een betere kamer gescoord in het hotel; de bedden stonden nog verder uit elkaar zodat het met oordoppen en twee kussens op mijn hoofd nog nét doenbaar was om toch enkele uren slaap in te halen.  

Ik had Miami bewust voor de laatste dag gehouden.  Veel tijd hadden we niet, en gezien het toerisme zich hier vooral aan het strand afspeelt, hadden we afgesproken om eens de tour van de Ocean Drive te doen en voor de rest de kat uit de boom te kijken.  Het was bovendien Spring Break, waar we gelukkig niet al teveel van gemerkt hebben op wat zatte en luidruchtige studenten na.  Die boulevard is best aardig – de art deco! – maar uiteraard flink duur om zomaar eens eventjes een terras te gaan doen.  Lichtpunt was het iets verder gelegen Wolfsonian museum, waar ik nog een art-deco tentoonstelling met luchtvaartthema (!) heb kunnen meepikken.  Serendipiteit heet zoiets; meer van dat! Er was nog tijd voor één Brew Pub – wat had je gedacht, en ook “oef” – vooraleer we weeral opgeplooid op een 787 richting Europa zaten.  Het ging allemaal heel erg snel voorbij , maar al bij al was ik tevreden dat ik toch nog eens heb kunnen reizen zoals in vroegere tijden (op de mondmaskers na).   Dit soort reisjes is vooral een soort hobby om zo goedkoop mogelijke tickets te scoren, maar bij deze ga ik de volgende keren toch voor extra beenruimte betalen (als je eenmaal business hebt gevlogen is vliegen nooit meer hetzelfde; neem dat gerust van me aan).  Om nog maar te zwijgen van aparte kamers.  Minstens twee verdiepingen uit elkaar. Dat scheelt in oordoppen.

Blij dat ik dit weeral allemaal heb mogen zien. De magie van eerdere reizen naar het land van Uncle Sam leek me wat weggedeemsterd, maar dat zal uiteraard aan mij liggen. Ik kom nog eens terug, maar wellicht niet in de Sunshine State.

Teruggaande op de eerste paragraaf ben ik nu weeral aan het uitkijken naar de volgende reis.  Er was het idee om eens richting een klein groen Caribisch eilandrepubliekje te vliegen, maar zolang er nog covid-restricties gelden ben ik niet zo geneigd om dit meteen al te doen.  Misschien zijn we nog een jaartje te vroeg.  Er is daarentegen het plan om nog eens de oude tent boven te halen en richting Scandinavië te trekken.  Deze keer met Penelope (dan heeft zij eens oordoppen nodig).

Wordt vervolgd!

FOMO

Fear Of Missing Out. Het hield me tegen om van mijn Facebookprofiel af te komen. Ik was er indertijd vroeg bij en op een bepaald moment had ik om en bij de duizend “vriendjes”. De opkomst van de smartphone maakte dat ook ik talloze uren heb verspild met het checken van mijn profiel.

Jaren geleden begon het mij echter te dagen dat die paar eenzame zielen zonder Facebookaccount wel eens gelijk konden hebben. Het constante checken van die updates werd een constant “ergeren”, waarbij de profielen die foto’s plaatsten van hun eten – en daar tig likes voor kregen – al gauw werden verwijderd, om nog maar te zwijgen van al die mensen die ik al jaren niet meer had gezien en wiens levens me eigenlijk geen barst meer konden schelen. Cru, maar ik ben er zeker van dat u het ook al gedaan heeft. Ettelijke profielen toegevoegd op fuifavonden in een ver verleden, die collega’s uit dat vroegere bedrijf en die buren uit de stad waar ik ooit woonde; allemaal verwijderd, omdat er toch niets meer te zeggen viel en we allen met onze levens verder gingen.

Bleven over: de inner circle en een aantal personen die daar net buiten vielen, maar desalniettemin interessant genoeg waren zodat de tally daalde tot zowat 200 vriendjes. Er dient wel gezegd te worden dat daar ook de complete fanfare van ons dorp tussen zat en ik daar niemand durfde te verwijderen omdat er daar mensen tussen zitten die dat onmiddellijk hebben gezien en dat als een vreselijk affront beschouwen. Er zaten er bijgevolg nog een heleboel tussen die foto’s van hun eten op hun wall plaatsen maar deze had ik dan maar op negeren gezet. Goede relaties onderhouden met de Heimat behoort nu eenmaal tot de prioriteiten.

Ik moet echter toegeven dat het mij in de eerste plaats niet ging om de Facebookloze Lonely Wolf uit te hangen, maar dat ik mij de laatste jaren wel bijzonder zorgen begon te maken in verband met de data die Facebook van ons verzamelt en die zomaar ergens op een server aan de andere kant van de oceaan rondslingert. Niet dat de CIA ooit geïnteresseerd kan zijn in het profiel van een kleine beroepscynicus uit Vlaanderen, maar het gemak waarmee we onze informatie rondstrooien is verontrustend. Meer nog, de coronacrisis toont aan dat veel burgers, met een grenzeloos vertrouwen in de overheid, hoegenaamd geen probleem hebben met maatregelen die op het randje van het ondemocratische balanceren – maatregelen beslist door de regering zonder meer en niet gelegitimeerd door het parlement – en voor je het weet kom je in een social credit-systeem terecht zoals dat nu in China geïmplementeerd wordt. Ik overdrijf misschien maar ik ben niet de enige die zich die bedenking maakt. Nog even en ook dit waait de oceaan over.

Niettegenstaande Facebook specifieke privacyinstellingen heeft zijn deze, naar mijn aanvoelen, hoegenaamd niet voldoende en deze gedachten waren nog niet koud of het volgende datalek annex schandaal kondigde zich reeds aan. Ik ben er alvast niet bij. Bovendien raad ik u ook aan om eens te kijken op haveibeenpwned.com om te zien of dat oude getrouwe e-mailadres van u ook niet ergens rondwaart op dat wereldwijde web.

Afin, ik heb stilletjes mijn exit gemaakt op Facebook, zonder fanfare (letterlijk) en door dit bericht te posten waarin schrijver Stephen King zijn voornemen bekend maakte om het sociale medium te verlaten en waarom u best hetzelfde doet. Dat werd door exact één (1) persoon opgemerkt. Een aantal mensen die ik contacteerde om even dubbel te checken of hun coördinaten nog klopten gaven aan dat ze het niet eens gezien hadden, waarbij ik dan denk dat er misschien een of ander algoritme bestaat dat dit soort posts uit zoveel mogelijk tijdlijnen houdt, maar ik zal weeral aan het overdrijven zijn. Het bevestigde alleszins dat vele profielen in mijn kringetje zo goed als slapende waren.

We zijn nu een aantal weken verder en achteraf gezien heb ik Facebook nog geen minuut gemist. De meeste conversaties met personen waar ik vaak contact mee heb verlopen tegenwoordig via Whatsapp (ook van Facebook! Overschakelen naar Signal jandorie!) en dan stelt er zich enkel nog de vraag wanneer ik Instagram (van Facebook!) verlaat, gezien ik daar nog niet meteen een alternatief voor gevonden heb. Misschien heb ik niet eens een alternatief nodig? Ik kan wel een paar redenen bedenken, en eentje daarvan is dat Zuckerberg een robot is. Kom achteraf niet klagen dat ik het u niet gezegd heb!

Merci Chauffeur!

Tussen de huiselijke kantoorwerkzaamheden door ben ik nog steeds aan het pruilen over mijn jongste reis die, zoals u weet, abrupt werd afgebroken. Bijgevolg was ik al hier en daar aan het rondkijken naar een reisje ergens begin volgend jaar, wellicht richting Zuidoost-Azië. Maar ik begin me zorgen te maken. Gezien ik in de luchtvaartbranche werk en op de eerste rij zit vrees ik dat we niet meteen aan onze nieuwe patatten zijn. Integendeel zelfs.  Het zal nog even duren vooraleer er überhaupt gereisd kan worden.

Waar wij vroeger flink moesten lachen met die hypochondrische Aziaten met hun mondmaskertjes, is het zo goed als zeker dat dit het nieuwe normaal wordt op een luchthaven en mogelijk totdat er een vaccin gevonden wordt. Vele luchtvaartmaatschappijen zijn inmiddels ook bezig met hun exitstrategie en de maatregelen gaan van het dragen van mondmaskers en het controleren van de temperatuur tot een vingerprik en on-site coronatest. De middelste rijen stoelen zullen vrij blijven om toch iets of wat “distancing” te creëren, maar dat betekent ook dat er een derde van het toestel niet bezet is en er een pak minder inkomsten gaan zijn, met gevolg dat de ticketprijzen onherroepelijk gaan stijgen. Ergo, het hele low-cost model komt onder druk te staan – u kan daar blij om zijn of niet – tenzij innovatieve oplossingen zoals onderaan geïllustreerd snel ingang vinden.

Avitrader
https://www.avitrader.com/2020/04/22/italian-manufacturer-aviointeriors-develops-corona-seating-concept/

Van low-cost gesproken: ik herinner me de eerste keer dat ik met Ryanair vloog. Nog vanop de oude vooroorlogse luchthaven van Charleroi, waar ik met mijn toenmalige vriendin ergens naar het Zuiden vloog. Dat waren de tijden toen lagekostenmaatschappijen zoals Ryanair voor een ware democratisering van het luchtverkeer zorgden en de hele terminal afgeladen vol zat met zichtbaar nerveuze mensen in hun beste trainingspakken (de nationale klederdracht van Charleroi) die zich aan hun eerste vlucht ooit gingen wagen.

De moed zonk me in de schoenen, niet zo zeer vanwege de volle terminal, maar eerder vanwege de “free seat choice” toendertijd, waarbij diegenen die het kortste bij de gate stonden – en daar “en masse” aanwezig waren – dan ook de beste plaatsen hadden. Ik keek dus niet bepaald met volle goesting uit naar een paar uur met mijn knieën naast mijn oren op die veel te kleine gele zeteltjes, terwijl ik nog zo gehoopt had om de spurt naar de “overwing emergency exit seats” te winnen.

Groot was mijn verbazing toen ik eindelijk aan boord kwam en al die trainingspakken zich achteraan in het vliegtuig bevonden. Zoals in de autocar weet u? Ik verwachtte mij enkel nog aan een luid gezongen “Merci Chauffeur!” bij de landing maar ze hielden het – uiteraard – bij een nerveus applausje en een hoorbare zucht van opluchting.

Ik mag hopen dat we snel terug vliegen mogen, met of zonder trainingspakken!