Op zijn Zweuds

Toen we de laatste keer in Noorwegen waren, hadden we een stuk van onze route overgeslagen toen het daar onophoudelijk oude wijven aan het regenen was.  Van arren moede waren we dan maar onmiddellijk zuidelijk gereden waar we een extra dag aan ons  – bijzonder plezante – bezoek aan Oslo kleefden.  Maar dat was een paar jaar geleden.  Dat kleine stukje oostelijk Noorwegen – Rondane en Jotunheimen – bleef zo’n beetje een blinde vlek op de kaart en het was dus gauw beslist om even de grens over te wippen, toen ik eerder dit jaar een  reis naar Zweden in elkaar aan het knutselen was.  We hadden nogmaals beslist om de wagen van stal te halen; zeker omdat er nog wat covid-onzekerheden waren in de luchtvaart, en toen kwam plots weer stoemelings Scandinavië in het vizier.  De vorige keer was bijzonder goed meegevallen (op de oude wijven na) en bovendien hadden we nog eens zin om te kamperen, dus de zaak was snel beklonken. 

De dag voor ons vertrek was bloedheet geweest, dus ik moet zowat een uurtje of drie geslapen hebben vooraleer ik – ergens rond zessen in de ochtend – achter het stuur kroop voor de lange rit naar Denemarken, waar we onze eerste nacht in een plattelandshotelletje gingen doorbrengen.  Ik was al flink vermoeid van de voorgaande weken (ontiegelijk druk op het werk) zodat ik niet meteen uitkeek naar de kleine duizend kilometer die in het verschiet lagen.  Ik kwam dan ook flink opgefrommeld aan in het Deense Zeeland waar het (weeral?) flink aan het regenen was, maar een nachtje in koelte doorslapen meer dan deugd deed.  De volgende morgen kregen we reeds een glimp te zien van Kopenhagen, dat we op de terugweg zouden bezoeken, terwijl we vlotjes richting Öresund-brug reden.  Bijna 70 € brug- en tunneltol armer, kwamen we dan in Malmö aan, waar de plaatselijke grenscontrole zich reeds verontschuldigde voor het Zweedse weer dat die dag maar zozo was.  Met dat stukje Scandinavische vriendelijkheid was de toon meteen gezet.  Kunnen ze bij ons nog iets van leren.  Het valt me ook steevast op hoe gedisciplineerd men rijdt in dat soort landen.  De maximum snelheid wordt gerespecteerd en bumperkleven is zowat onbestaande.  Ook in Duitsland houdt men zich netjes aan de regels, daar waar deze bij ons slechts een soort van suggestie zijn.  Ik ben op dat vlak uiteraard een witgekalkt graf met zware voet, maar geef grif toe dat het een stuk relaxter rijdt wanneer ge uzelf niet zit op te jagen.

Het meertje aan onze camping

Een paar uurtjes verder lag onze eerste stop: Tivedens NationalparkMidden in de Zuid-Zweedse bossen, met veel heuvels en meren.  Ondertussen was ook de zon ook doorgebroken en konden we onmiddellijk begrijpen waarom deze plek immens populair is bij de plaatselijke Zweedse caravan-bezitter en de (vele) Duitse mobilhomebestuurders.  Een bijzonder mooi nationaal park, waar we de wandeling deden rond het meer, en ik er niet beter had op gevonden om onmiddellijk daarna nog een paar honderd kilometer af te malen richting Stockholm.  Bedoeling was om daar in de buurt en vooral in de rapte nog een nationaal park mee te pikken, maar het leek ons ondertussen een beter idee om last-minute een hotel te boeken en even eens niets te doen.  Dat vat ook zowat het lesje van deze reis samen: goed uitgeslapen zijn en niet teveel activiteiten in een beperkte tijd proberen te proppen.  Aldus kwam ik al iets monterder aan in Stockholm, alwaar we gelogeerd waren in een oude … gevangenis.  Klein, maar ronduit proper, en very affordable wanneer er op tijd geboekt wordt (u zal ondertussen wel al eens gehoord hebben dat Scandinavië niet meteen goedkoop is).  Met een metrostation om de hoek was het bovendien een fluitje van een cent om de binnenstad en zijn attracties te bereiken.

Gezien we onszelf beperkt hadden tot twee dagen ter plaatse werd er gekozen om op de eerste dag het Vasamuseum te bezoeken en het vermaarde Skansen, om dan op de tweede dag de oude stad van Stockholm te bezoeken.  Clichés, gezien er zoveel te bekijken valt in die stad, maar daar het voor ons beiden het eerste bezoek was, klinkt dat niet meteen onlogisch.  Wat betreft het Vasamuseum: indien u nog nooit van dat schip heeft gehoord vermoed ik dat u niet opgelet heeft tijdens de lessen geschiedenis en dat u bewust wegzapt wanneer er een documentaire op uw tv-scherm dreigt te komen.  Het was de moeite (veel volk) en de koffie is er pokkeduur.  Het weer was bijzonder zomers, en ik vind dat dit iets doet met Scandinavische steden (zoals in Oslo een paar jaar geleden).  Het lijkt wel of die mensen nét iets meer genieten van het licht en de zomergeuren, en ik kan dat best geloven gezien de winters daar bijzonder donker en lang kunnen zijn.

Stockholm – Gamla Stan

Prima weer dus om Skansen te bezoeken, wat een soort kruising is van Bokrijk en een dierenpark. Uiteraard ontiegelijk interessant – ik heb iets met dat soort parken – maar beter nog: we hebben Elanden gezien! En beren! En giftig gekleurde tutti-frutti crème-glace gegeten!  En veel te dure maar lekkere chocolacake!  We gingen aldus tevreden terug naar onze cel (ha!).  De volgende dag werd besteed aan de oude stad, die net als zoveel populaire hoofdsteden vooral ter dienste van de commercie staat.  Veel souvenirwinkeltjes, maar effectief ook een mooie verzameling van historische gebouwen; afin, het mag gezien worden quoi. 

Daar lunchen steeds een flinke slok op de borrel scheelt, had Penelope een geweldig sympathiek restaurantje gevonden waar we dan eens de échte homemade Zweedse balletjes hebben gegeten en dat viel bijzonder goed mee.  Ook daar weer afgrijselijk vriendelijke mensen.  Bovendien zijn we in Zweden ook simpelweg een paar keer in de Ikea gaan eten gezien die prijzen niet veel hoger zijn dan bij ons.  Heel erg proper daar, en weeral erg behulpzame mensen die allemaal netjes Engels praten.  In die Zweedse Ikea-winkels durf ik zelfs naar de grote WC gaan. Zo proper is het daar.

Na een verkwikkende nacht, was het weeral een flink stuk bollen, richting Noorse grens, waar we het Fulufjället nationaal park gingen bezoeken.  Dat betekent een hele dag rijden door bossen, bossen en nog eens bossen, tot je de bomen niet meer ziet.  Het weer viel weeral bijzonder goed mee en het was dan ook een erg warme dag toen er een Midzomer viering van start ging in het veldje naast de camping.  We hadden een hoop ambras en lawaai verwacht, maar het geheel bleek een uiterst gedisciplineerd ceremonietje, waarbij de plaatselijke Zweuden een meiboom oprichtten en er daarna heel gedisciplineerd nog wat nagekletst wordt. Geen zatte toestanden noch écht lawaaioverlast.  Die stakkers hebben zelfs niet eens een fanfare. De waarheid gebiedt echter te vertellen dat ze zich achteraf in eigen huize gaan bezatten en dat dit ook duchtig gebeurde in de plaatselijke caravans en motorhomes, maar veel last hebben we daar niet van gehad.  Ook niet van het traditionele skinny-dipping dat in het meertje achter de camping plaatsvond.  Ik had eerst niet door wat die mensen daar in het midden van de nacht in dat meertje deden, maar ik was dan ook slaapdronken onderweg naar de Zweedse koer, en er was uiteraard die middernachtzon. Het bracht me dan allemaal ook danig in de war.

Het mooie weer bleef aanhouden en we hadden dan ook een ideale wandeldag.  De eerste keer ook op deze reis dat we met wilde ongecultiveerde natuur werden geconfronteerd, en dat doet steeds deugd. Verdomd mooi landschap met een best te pruimen wandeling tot boven de waterval (de grootste van Zweden), met als enig minpunt een guerrilla-aanval van muggen die vooral Penelope leek te treffen.  Eenmaal weg van het water en in een briesje ging dat uiteraard beter.  Mijn (vervallen) flesje anti muskietenmiddel leek ook nog wel wat te helpen (tip: steeds naar ginder meenemen, dat spul).

De routine van het opbreken van het kamp zat er ondertussen weeral flink in, en veel tijd hadden we niet meer  nodig om de tent in te pakken en terug op de baan te zijn. Verbazend ook, dat er tijdens de reis steeds meer plaats bijkomt, daar waar de wagen bij het vertrek propvol leek te zitten.  Ik probeer de plaats van alles te onthouden, maar het is me nog nooit gelukt om bij de eerste keer laden zo efficiënt te werk te gaan. Het zal weeral aan mezelf liggen.

Lang een achterpoortje reden we Noorwegen binnen – bossen, bossen en nog eens bossen – maar plots waren daar de ruigere rotsen en aan de einder verschenen échte bergen en sneeuwtoppen en was er zelfs even een gevoel van herkenning toen we richting Lillehammer reden (deze keer zonder regen).  Omdat de tijd beperkt was, had ik een wandeling uitgekozen in het Rondane nationale park, die ons een goede indruk zou geven van het geheel, en tegelijkertijd niet al te zwaar was.  Een wandeling van een parkeerplaats op een woeste hoogvlakte, die rechtstreeks naar een bergmeer leidt, waar er een grote bemande berghut staat (voor de middagpauze) om vervolgens via een gravel road terug te keren.  So far so good, ware het niet dat de meteo er niet bijzonder plezierig uitzag.  Het is steeds opletten geblazen in dat soort wilde streken; het weer kan bijzonder snel veranderen, en sneeuwbuien in juni zijn volstrekt normaal.  We hadden reeds een paar (malse) regenbuien te verduren gekregen, maar daar waar er een wad in de rivier moest zijn, liep nu een bijzonder furieus stroompje waar er simpelweg geen oversteken mogelijk was.  Het meer hebben we dus niet gezien, maar al bij al was dit toch een mooie wandeling in en bijzonder dramatische setting, want ook bij slecht weer zijn dit soort streken wondermooi.  Het regende deze keer geen pijpenstelen; het objectief is dus min of meer geslaagd!

Gezien ik aan het klagen was over de vele kilometers die ik deze vakantie heb gereden, zijn we dag erna 600 km naar het Zuiden gereden, waar we de nacht doorbrachten in een charmant hotelletje in het Zweedse Uddevalla. Kwestie van helemaal uitgerust en verkwikt te zijn (kuch).  Gelukkig had ik mezelf niet wijsgemaakt dat ik helemaal tot in Kopenhagen ging rijden.  Vanuit Uddevalla was het dan maar een paar uur rijden vooraleer we in Kopenhagen aankwamen en we reeds in de namiddag een korte wandeling konden doen.  Het was nét voor de start van de Tour de France (wist ik zelfs helemaal niet) en we waren ook nét op tijd weg, gezien zowat de halve stad ging afgesloten worden, op wat omleidingen na hebben we daar tijdens ons verblijf weinig hinder van ondervonden.

Ook hier hebben we ons op de eerste dag beperkt tot de clichés.  Er is uiteraard het zeemeerminnetje, slot Rosenborg, Amaliënborg, etc … en andere markante gebouwen van de binnenstad, en ook de zon was weeral van de partij om er een mooie dag van te maken. Deze stad is, zoals vele middeleeuwse steden, bijzonder compact en alles is eigenlijk goed te voet te doen.   Ik zou hier uiteraard onze wandelroute kunnen opsommen, maar dat zou toch maar bladvulling zijn.  U moet dat zelf maar uitzoeken wanneer u daar eens in de buurt bent.  Toch even de “Rundetaarn” vermelden –  ik was vergeten dat die bestond – waar een glooiend pad, in de toren, geschikt voor paard en kar (!) u naar de top van de toren en het oudste observatorium van Europa brengt, en u meteen een mooi zicht heeft op de stad.  Er was ook nog Reffen, aan de andere kant van het water, waar je een permanent Street Food Festival kan vinden.  Kleurrijk en arty-farty en zo, maar niet echt ons ding.  Daarentegen moet je dan wel in Kopenhagen zijn om een goede Griek en Koreaan te vinden, waar het best wel lekker eten was voor aannemelijke prijzen.

Nyhavn – Kopenhagen

Nog voor de Tour losbarstte, zaten we terug in de wagen, onderweg naar het thuisfront.  Deze keer reed het een stuk vlotter – ik leek wel gemotiveerd om thuis te geraken – en van de 34° aan de Lüneburger Heide schoten er 14° over wanneer we terug in de Dijlestad arriveerden.  Het was weeral eens goed, en vooral, veel te kort geweest!

Wanderlust

wanderlust

noun [ U ]

uk /ˈwɒn.də.lʌst/

us /ˈwɑːn.dɚ.lʌst/

a strong desire or urge to travel and explore the world.

Ik heb daar ook last van, en tijdens deze gehele corona-ellende kwam dit sentiment vaak bovendrijven. Escapisme uiteraard, maar ook de oprechte goesting om nieuwe dingen te ontdekken.  Het helpt natuurlijk niet om vanuit het kantoor dagdagelijks vliegtuigen te zien opstijgen.   Ik kan smachten naar de andere kant van de wereld, en wanneer ik dan eindelijk ter plaatse ben aangekomen last krijgen van een onbepaald soort heimwee, om dan eenmaal terug thuis opnieuw te verlangen naar verre einders: ik kan dat allemaal.  Het is een beetje zoals bij Bilbo Baggins, die net zoals iedere Hobbit een voorkeur had voor huiselijkheid en het bekende, maar toch ergens die vonk van reislust had.  Schijnbaar omdat een van zijn voorouders met een elf getrouwd was en alle nakomelingen nét iets anders waren dan normale Hobbits.  Ik moet aldus mijn stamboom eens nakijken.  Maar dit alles om u te zeggen dat ik na twee lange jaren – eindelijk – weer eens de grote plas ben overgevlogen.

Ditmaal geen exotische bestemmingen, maar een bezoek aan de neef van mijn reiskompaan, die reeds jaren in Florida woont.  Niet alleen de wanderlust, maar ook de belachelijk goedkope prijs van de tickets zorgden ervoor dat er snel plannen werden gesmeed.  Bovendien was het een eeuwigheid geleden dat ik nog eens in de Joenaajted Steets was geweest.  Dat land waar ik als klein jongetje een zekere obsessie mee had, gezien het daar – volgens de toenmalige TV-series – steeds groter en beter was en omdat de zon daar altijd scheen.  Afin, een land waar veel herkenbaar is en toch zo verschillend, en het is er, merkte ik nu, niet eenvoudiger op geworden om alles binnen onze context te kaderen. Er zijn de herinneringen aan een aantal formidabele trips in vervlogen tijden, en dat stuk van mijn professionele vliegopleiding dat ik indertijd aan de Westkust voltooide, en bijgevolg was ik benieuwd of die magie nog steeds aanwezig was.  Mind you: Florida stond nooit echt op de bucketlist. Strandvakanties en pretparken interesseren me niet, en wie mij kent weet dat ik het eerder heb begrepen op woest natuurschoon en dat is in Florida ver te zoeken.  Lag het aan mij dan ging het nog eens richting Nationale Parken, maar dit was dan wel hét uitgelezen moment om Cape Canaveral te bezoeken, en laten we zeggen dat dit voor mij het belangrijkste objectief van deze reis was. Het kleine jongetje in mezelf heeft immers meer dan 40 jaar moeten wachten om die plaats te bezoeken waar de toenmalige helden van Apollo naar de maan vertrokken.

In Madrid (tussenstop) viel het ons op dat het exact twee jaar geleden was dat we voorbij diezelfde gate kwamen gewandeld waar we toen halsoverkop uit Zuid-Amerika terugkwamen en nog niet wisten dat het corona-beestje ons die hele tijd aan de grond ging houden.  Bij deze dus een welgemeende middenvinger naar het virus, niettegenstaande de mondmaskers ginds – in tegenstelling tot BRU – nog verplicht waren.  Ook niet prettig was de verplichting tot testen – alvorens naar de VS te reizen – waardoor ik de laatste dagen met een soort van Zwaard Van Damocles boven het hoofd rondliep.  Een ganse opluchting om “negatief” te testen en eindelijk “écht” uit te kijken naar de reis.  De overprijsde hamburger en het matige bier in de luchthaven werden met de mantel der liefde bedekt en alras zaten we opgeplooid in de economystoeltjes (“Cattle Class” voor de insiders) van een Boeing 787. Ik was verbaasd om vast te stellen dat zowel de vlucht van BRU naar MAD, alsook de vlucht naar MIA bomvol zaten, en het – Oekraïense toestanden incluis – toch beter lijkt te gaan met de luchtvaart dan ik dacht, en maar goed ook, gezien dat mijn boterhammen en deze reis betaalt.  Wel vervelend om 9 uur met een mondmasker op de voorgevel te functioneren, maar schijnbaar nog niet vervelend genoeg voor de man die naast mij zat en – niettegenstaande iedereen geboosterd en getest – 2 maskers over elkaar droeg.  Behalve dan om de pieren uit zijn neus te halen – ik hebos u gezienos hoor Pedro! Ik sliepos nietos!

Negen lange uren later stond ik aan te schuiven bij Immigration (waar ze naar aloude traditie ook de pieren uit mijn neus vroegen; niet diezelfde van de Pedro uiteraard) om vervolgens half verdwaasd aan te komen in een of ander airport hotel dat we voor die nacht hadden geboekt.  Erg bevreemdend om plots rond te lopen bij een temperatuur van boven de 25° tussen wat overduidelijk geen plastieken kokospalmen waren. 

Een korte nacht later – jetlag, en de Kompaan zijn pathologische snurken dat nu zelfs door oordoppen heen komt –  waren we op weg naar Saint Augustine, dat de titel draagt van oudste nederzetting van de continentale US.  Uiteraard een toeristische trekpleister die  – lijkt me zo – het soort Amerikanen aantrekt dat nog nooit een voet buiten eigen land heeft gezet en hier hoopt een vleugje Europa op te snuiven.  Niks op tegen uiteraard, alhoewel ze misschien wat bedrogen uitkomen.  Er is een mooi representatief Spaans Fort uit de 17e eeuw en een bijhorend “colonial” stadje  – in feite een grote wandelstraat – dat vooral in recentere tijden het daglicht heeft gezien maar vooral rond commercie is gebouwd.   Leuk voor de liefhebbers, maar we hadden het op een paar uurtjes gezien.  Mijn inwendige persoon was dan weeral enorm onder de indruk (met nadruk op “druk”) van hetgeen ik de avond tevoren voorgeschoteld kreeg in een plaatselijke diner.  Het was dan vooral vettig en zout, en dat in combinatie met de jetlag deed me de volgende dagen vooral salades eten.  Kompaan en Kozijn lieten het niet aan hun hart komen en doken in de eerste Brew Pub (van velen).   Gezien Florida het Blankenberge van de VS is, had ik reeds wat opzoekwerk verricht om toch een en ander te kunnen bezoeken wat meer in de richting van historie en natuur ging.

Zelfs Kozijn van de Kompaan – ondertussen tot Amerikaander genaturaliseerd – was nog nooit in het uiterste noorden van de staat geweest, waar we op Amelia Island een oud fort uit de burgeroorlog bezochten.  Helaas was dat niet in het weekend, want anders hadden we er nog een re-enactment bij gekregen.  Een interessante omgeving, waar de Atlantische Oceaan een stuk frisser was, maar het tegelijkertijd een stuk rustiger was.  Ook een plaats waar de natuurlijke vegetatie van Florida in al zijn glorie aanschouwd kon worden.  Ergo, moeras, met zwemmende handtassen en veel bomen bedekt met dat typische Spaanse mos.  Ik was niet geheel ontevreden met dit tripje door het plaatselijke State Park en omliggende parochies, dat me toch een idee gaf van La Floride profonde.  Kompaan en Kozijn keken daarentegen reeds uit naar de volgende Brew Pub, en na een niet al te onaardige maaltijd (Clam Chowder!) namen we een Uber naar het plaatselijke “dorp” waar een lokaal Watering Hole veelbelovend leek.  Of het nu was omdat we daar in Trump Country rondliepen weet ik niet, maar de plaatselijke Uber-chauffeur leek niet echt opgezet met die foreigners en hun Duits klinkende taaltje. Onze vragen en opmerkingen – hoe vriendelijk ook –  werden met een droge “yip” beantwoord.  Toen we bij terugkomst met dezelfde chauffeur terug naar het hotel reden en met een blijgemutst (Brew Pub) “Evenin’ Sir! Here we are again!” in de wagen stapten – “yip” –  dacht ik dat het misschien niet zozeer aan Trump lag maar dat die man een spraakgebrek had of zo.  Of in de plaatselijke diner had gegeten.  Wie weet.

Ondertussen was het reeds woensdag, en was mijn Hoogdag (met hoofdletter “H”) aangebroken.  Herinnert u zich, hoe u, als kind, helemaal opgewonden op weg was naar de kermis?  Ik had dat gevoel, toen we de brug overstaken naar het legendarische Kennedy Space Center.  Heerlijk was het, om het wereldberoemde “Vehicle Assembly Building” te zien opduiken, en een hele collectie raketten die zo uit de boekjes van mijn jeugd kwamen.  Kompaan en Kozijn waren er een aantal jaren geleden reeds geweest, maar dit keer kregen ze er een gratis rondleiding bij.  Het is namelijk bijzonder profijtelijk om uw eigen gids te kunnen zijn.  Ik kom uiteraard superlatieven tekort om al de wondere tuigen die ik zag te kunnen beschrijven – ik heb zelfs een maansteen(tje) aangeraakt! –  en ik heb mij flink moeten inhouden in de Gift Shop.  Het is uiteraard allemaal flink op z’n Amerikaans ingericht en soms had ik het gevoel in een of andere blockbuster rond te lopen (letterlijk achtergrondmuziek met de soundtracks van de laatste Star Trek films en oa. Apollo 13) maar mijn dagje was goed!  Minpuntje: door covid-restricties (?) reed de bus niet tot aan de lanceerplatformen en heb ik de SLS (dé nieuwste maanraket) slechts van in de verte gezien.  Het zij zo.

Diezelfde avond ging het naar Tampa, waar Kozijn woont, en we de volgende dagen gingen doorbrengen.  Ondertussen was Kompaan tot de vaststelling gekomen dat hij nog een of ander concert wou bijwonen dat zich toevallig op de weg bevond – het vrij toegankelijke gedeelte van het Universal Studios pretpark –  en gezien het onze meug niet was hebben Kozijn en ik aldaar een paar uren gewacht in een of andere strandbar terwijl Kompaan ergens tussen getatoeëerde baarden stond te headbangen. Dat laatste was dan ook geen probleem daar Covid, wat de Amerikanen betreft, volledig voorbij is.  Op een paar openbare plaatsen na is er geen mondmaskerplicht meer en het was eigenlijk bijzonder aangenaam om eens volledig terug in het “oude normaal” te zijn (en hopelijk blijft dat zo!). Aldus voor één keer een strandbar en geen Brew Pub.  Had ik u al verteld dat Kompaan en Kozijn iets hebben met brouwerijen en zelf ook bier brouwen? Bij deze, moest het niet geheel duidelijk zijn.  Een beetje een hype ook naar het schijnt.

De rit naar de westkust verliep daarentegen fluks, en niettegenstaande het reeds flink donker was, kon ik vaststellen dat Kozijn niet slecht geboerd had en zelfs een mooi zwembad in de tuin had liggen.  Er zijn slechtere weiden om in terecht te komen! De volgende dag werd er een poging ondernomen om nog ergens manatee’s te spotten, doch het was reeds laat in het seizoen en die beestjes hadden waarschijnlijk besloten om betere oorden zonder toeristen op te zoeken.  We hebben wel kleine haaien en stingrays gezien, alsook de alomtegenwoordige pelikanen die zich van al dat volk weinig lijken aan te trekken.  Door een paar flinke (warme) regenbuien hebben we op die voorlaatste dag eigenlijk niet veel meer beleefd dan wat op de bonnefooi rondstruinen in de stad en aan de waterkant (ook niet slecht). Die bonnefooi, bleek voor Kompaan en Kozijn vooral uit Brew Pubs te bestaan. Ik heb onze jongens uiteraard in hun hobby gesteund, en met wat ik die week aan allerhande IPA’s had binnengespeeld kon ik zo stilaan mensen met mijn adem ontsmetten in plaats van te besmetten. Every cloud has a silver lining.

Om terug richting Miami te gaan, had ik er voor gekozen om eens een Amerikaanse trein te nemen.  Een keer het ticket gekocht viel de prijs best mee, niettegenstaande de website van Amtrak nog waardelozer is dan wat de NMBS en consoorten voortbrengen (het kàn!). Best wel een aparte ervaring waarbij je niet zomaar naar goeddunken opstapt maar naar de juiste wagon wordt gedirigeerd door anders best wel aardig personeel.  Diezelfde avond had ik ook nog eens een betere kamer gescoord in het hotel; de bedden stonden nog verder uit elkaar zodat het met oordoppen en twee kussens op mijn hoofd nog nét doenbaar was om toch enkele uren slaap in te halen.  

Ik had Miami bewust voor de laatste dag gehouden.  Veel tijd hadden we niet, en gezien het toerisme zich hier vooral aan het strand afspeelt, hadden we afgesproken om eens de tour van de Ocean Drive te doen en voor de rest de kat uit de boom te kijken.  Het was bovendien Spring Break, waar we gelukkig niet al teveel van gemerkt hebben op wat zatte en luidruchtige studenten na.  Die boulevard is best aardig – de art deco! – maar uiteraard flink duur om zomaar eens eventjes een terras te gaan doen.  Lichtpunt was het iets verder gelegen Wolfsonian museum, waar ik nog een art-deco tentoonstelling met luchtvaartthema (!) heb kunnen meepikken.  Serendipiteit heet zoiets; meer van dat! Er was nog tijd voor één Brew Pub – wat had je gedacht, en ook “oef” – vooraleer we weeral opgeplooid op een 787 richting Europa zaten.  Het ging allemaal heel erg snel voorbij , maar al bij al was ik tevreden dat ik toch nog eens heb kunnen reizen zoals in vroegere tijden (op de mondmaskers na).   Dit soort reisjes is vooral een soort hobby om zo goedkoop mogelijke tickets te scoren, maar bij deze ga ik de volgende keren toch voor extra beenruimte betalen (als je eenmaal business hebt gevlogen is vliegen nooit meer hetzelfde; neem dat gerust van me aan).  Om nog maar te zwijgen van aparte kamers.  Minstens twee verdiepingen uit elkaar. Dat scheelt in oordoppen.

Blij dat ik dit weeral allemaal heb mogen zien. De magie van eerdere reizen naar het land van Uncle Sam leek me wat weggedeemsterd, maar dat zal uiteraard aan mij liggen. Ik kom nog eens terug, maar wellicht niet in de Sunshine State.

Teruggaande op de eerste paragraaf ben ik nu weeral aan het uitkijken naar de volgende reis.  Er was het idee om eens richting een klein groen Caribisch eilandrepubliekje te vliegen, maar zolang er nog covid-restricties gelden ben ik niet zo geneigd om dit meteen al te doen.  Misschien zijn we nog een jaartje te vroeg.  Er is daarentegen het plan om nog eens de oude tent boven te halen en richting Scandinavië te trekken.  Deze keer met Penelope (dan heeft zij eens oordoppen nodig).

Wordt vervolgd!

Het smaragdgroene eiland

Op een kort (werkgerelateerd) toertje over de grens na, was het alweer meer dan anderhalf jaar geleden dat we nog eens op reis waren geweest. Er waren wel wat wilde plannen om het vliegtuig te nemen om – al was het maar eventjes – het woord staycation niet te moeten aanhoren, maar toen wisten we nog niet dat het wereldwijd wel erg stroef loopt met de vaccinatiecampagnes en vooral met de wederzijdse erkenning van vaccinatiebewijzen. Aldus bleef de keuze beperkt tot continentaal Europa en gezien de situatie kunnen beggars geen choosers zijn. Daar Penelope nog nooit in Ierland was geweest en ik nog eens goesting had om links te rijden, was de keuze dan ook snel gemaakt. De tarieven voor de ferry naar Dublin waren bijzonder gunstig en ik had bovendien nog een ontwerp voor een Iers roadtripje ergens onderaan in de schuif liggen. Half september was het zover.

Gold Beach (Arromanches, overblijfselen van Mulberry haven)

Gezien de ferry vertrekt uit Cherbourg waren we reeds een dag op voorhand vertrokken omdat het anders toch écht wel racen tegen de klok zou zijn. Om het nuttige aan het aangename te paren brachten we aldus de nacht door in het charmante stadje Bayeux (jawel, van dat tapijt) en konden we de dag nadien nog een en ander meepikken van de D-day invasiestranden (blijft indrukwekkend). Het was een flinke overtocht (19u!) met de ferry alwaar ik met veel goesting aan de eerste van veel Guinnessen begon, terwijl we doorheen de ramen de kanaaleilanden zagen voorbijschuiven en ik mezelf herinnerde dat ik ook nog eens opnieuw die kant op wil. De nacht viel best mee (de oceaan/zee was zo plat als een biljartlaken) en zonder al te veel oponthoud reed ik die morgen de ramp af om meteen in de Dublinese ochtendspits te rijden. Het is dan vooral flink opletten gezien Waze u alle richtingen uitstuurt en dan nog in een stad waar ge aan de verkeerde kant van de straat aan het rijden bent.

Trinity College Library

Over Dublin valt veel te zeggen, behalve dan dat het niet echt een grootstad is en qua attracties zullen er wellicht mensen zijn die op hun honger blijven zitten. De stad trekt mijn inziens eerder het soort toeristen aan die het begrepen hebben op (vaak) kleffe folklore en zogezegd authentieke pubs (niets mis mee trouwens) niettegenstaande je wel degelijk een aantal oerdegelijke museums (om zo maar iets te zeggen) in de stad kan terug vinden. Ik had de meeste van de “highlights” (Guinness storehouse ed.) al gezien op vroegere trips, maar was er nog niet aan toegekomen om de Trinity College Library te bezoeken (en het Book of Kells) wat voor mij zowat het hoogtepunt is van de bezienswaardigheden in deze stad, en bovendien flink de moeite ook. De bibliotheek zelve zou niet misplaatst zijn in een Harry Potter film. Wat me in deze ook opviel was de toegenomen marginaliteit en smerigheid van de stad (heeft Corona hier iets mee te maken gehad?), maar dat werd goedgemaakt door de vriendelijke mensen en mijn favoriete adresje (The Bank on College Green) waar het immer goed eten is. De laatste keer dat ik in Dublin was bezochten we het hierboven vermelde Guinness Storehouse en zag ik – vanuit de panoramische bar – groene heuvels in de verte liggen. Het waren die groene heuvels, de Wicklow Mountains en zijn nationale park, die voor de volgende dag op het programma stonden.

Spinc Trail, Wicklow Mountains

Het is dan ook een verademing om het doolhof van Dublin (Waze was weeral in form) achter te laten en snel in een streek terecht te komen die sterk deed denken aan delen van de Schotse hooglanden en zelfs een beetje aan de Ardennen. Bijzonder mooie streek, waar er flink te wandelen valt en wij ons ophielden rond Glendalough, wat zowat het centrum is voor de outdoors-activiteiten in deze streek. Aan te raden is de Spinc Trail, die een knap panorama biedt van de streek, en voor de fijnproevers is er de Ballinastoe Woods Walk, die niet zo eenvoudig te vinden is, maar wellicht een goede inspiratie zou zijn voor een hoofdstuk in een of ander fantasy-epos. Ik raad u daarentegen ten stelligste af om de hoogste waterval van Ierland te bezoeken die daar ergens net om de hoek ligt; wat mij betreft zijn de watervallen van Coo een stuk spannender en daar betaal je geen 6 € toegang voor.

Ballinastoe Woods Walk

Blij om te weten wat er in die heuvels gaande was, stond er vervolgens een ganse dag rijden op het programma waarbij we voornamelijk over de snelweg en autowegen hebben gereden – ik had de route wat onderschat – om op tijd aan te komen in Killarney, waar het bekende “Gap of Dunloe” op het programma stond. Ook hier was Waze weeral flink in form, en werden we over allerhande kleine en – vooral – smalle wegeltjes gestuurd die me sterk deden denken aan onze belevenissen op het platteland van Cornwall en Schotland (“passing places”) en waar de plaatselijke chauffeurs zich netjes aan de snelheidslimiet van 80 (!) Km/u houden (kuch). Zo werden we verschillende keren door een dorpje gestuurd waarvan ik de naam in het Gaelic niet kan uitspreken maar ongeveer klonk zoals “Rosse Jeannine” (of zoiets). Dat om 30 seconden te winnen in wat ginder een avondspits voorstelt. Van toen af hebben we wijselijk besloten om Waze in te wisselen voor onze “gewone” GPS.

Aangekomen in Killarney waren we te gast bij de alleraardigste pensioneigenaar die bovendien als twee druppels water op Kamagurka leek. Ik heb hem niet gevraagd hoe ik “Rosse Jeannine” in het Gaelic moest uitspreken. Aardig taaltje trouwens, en ter plaatse werd ik er nogmaals aan herinnerd dat het accent van de westkust geenszins te vergelijken valt met het afgelikte Dublinees van de kostuums die ik af en toe op kantoor aantref. Zo was er die brave oude knar die het busje bestuurde dat ons naar het startpunt bracht van de wandeling door The Gap of Dunloe, en ons met zijn sappige accent een verslag gaf van alle “bezienswaardigheden” waar we voorbij reden. Dat deed hij door tegelijkertijd in de microfoon te spreken en deze ook als aanwijzer te gebruiken. Dat de halve bus op die manier ook maar halve zinnen kreeg te horen leek hem niet te deren. Nu ja, we verstonden er ook maar weinig van.

Augher Lake, Gap of Dunloe
Kort bij de “Wishing Bridge”, Gap of Dunloe

We hadden enorm geluk met het weer (op een korte plensbui na) en de wandeling doorheen dit mooie stukje natuur was indrukwekkend. Let op: de meeste toeristen laten zich met paard en kar vervoeren (voor ocharme 12 km) maar gezien het toerisme op halve kracht draaide hebben we hier niet al teveel last van gehad. Niettegenstaande ik niet meteen te vinden ben voor georganiseerde tripjes was het hier dus de bedoeling om na de wandeling een boottocht te maken over Lough Leane om zo terug naar het dorpscentrum gevoerd te worden. Het was dit of helemaal te voet terug gaan , maar de oversteek van het meer viel bijzonder goed mee en ik mag zelfs zeggen dat het zijn geld waard was. Een van de hoogtepunten van onze reis, en we hebben Kamagurka verzekerd dat we nog eens zullen terug komen!

Cliffs of Moher

De dag nadien was het weer even rijden om op onze volgende bestemming – Galway – terecht te komen, met een tussenstop aan de obligate “Cliffs of Moher”. Hier kwam ik terug op bekend terrein terecht gezien ik hier jaren geleden ook al een tripje had gemaakt en tot de vaststelling kwam dat het nog steeds lang rijden is via de smalle kustwegjes, maar het zicht op de Oceaan maakt veel goed. Galway is een charmant universiteitsstadje en hier draait het qua toerisme vooral om de zogenaamde “Latin Quarter” (pubs, wat anders, maar dan in felle kleurtjes) dat tijdens een warme zomerdag wellicht aardig lijkt, maar waar wij niet meteen iets verloren hadden. Wij hadden het vooral voorzien op een daguitstap naar de Aran eilanden, en gezien ik al eens op Inishmaan was geweest ging het deze keer naar Inishmore, waar er mijn inziens veel meer te bekijken viel.

Dún Aonghasa, fort uit de bronstijd op Inishmore

Ik had iets te diep in mijn memorie gegraven en had tickets gereserveerd op een ferry die vertrok op een plaats die op 1,5 uur van onze B & B lag, daar waar er een ferryhaventje achter onze hoek bleek te liggen en ik dat dus helemaal vergeten was. Nu ja, we hebben dan maar een en ander verschoven met onze reservaties om ons niet al teveel te moeten haasten en wonder boven wonder kwamen we niet alleen op ons oorspronkelijk vertrekuur aan maar konden we nog net mee met deze ferry waarbij we dus een uur gewonnen hadden.

Inishmore

Inishmore mag dan een van de meest bezochte Aran eilanden zijn – en wellicht is het daar over de koppen lopen in het hoogseizoen – maar wat ons betreft was dit weeral een toppertje. Gezien Covid en het feit dat we al half september waren, was het daar relatief rustig en konden we een mooie fietstocht maken over het eiland in prachtig weer. Het eiland biedt een aantal archeologische sites met een prachtig zicht op de oceaan, er zijn zeehonden en puffins te zien in het wild, en met wat zoeken kunt ge zelfs een natuurlijk “blowhole” aan de rand van de Oceaan vinden. We hadden er spijt van dat we maar een dag konden blijven gezien een overnachting hier zeker op zijn plaats was geweest. Wie weet, misschien de volgende keer.

Inishmore

En zo kwam ons laatste doel in het zicht: de Connemara. Voor velen slechts een onnozel liedje op een trouwfeest, maar in werkelijkheid een grandioos natuurgebied. In feite kunt gij daar – zoals in de meeste nationale parken van Ierland – verschillende dagen wandelen, maar gezien onze tijd beperkt was hebben we hier gekozen voor een van de meeste bekende wandelingen over en rondom Diamond Hill wat een van de markante heuvels van deze streek is.

Afdaling van Diamond Hill

De wandeling beloofde spectaculaire vergezichten, maar gezien het bijzonder slechte weer hebben we hier slechts flarden van opgevangen. Daarentegen hebben we doorgezet in regen en wind en hadden we veel deugd van wat achteraf gezien een zeer sportieve wandeling was geworden. Het valt ons ook nog steeds op hoe slecht sommige toeristen zijn uitgerust en ik zeker niet in de plaats wil zijn van al diegenen die zo’n wandeling willen forceren op witte sportsloefkes en met een niemendal van een K-way’tje rond hun middel. Al doende leert men. Met horizontale slagregen. Mag ik hopen.

En zo ging het terug naar Dublin. Deze keer zaten we in een (toch wel) aangename en betere wijk waar ik nog nooit geweest was en waar de – misschien cru gezegd – verloedering van het stadscentrum toch wel ver af leek. Veel hadden we niet meer gepland – buiten wat toertjes en winkelen – gezien we de dag nadien op tijd aan de ferryhaven wilden zijn. De overtocht was niet eens noemenswaardig en al gauw waren we weer een volle dag aan het rijden om laat ten huize aan te komen. Maar nét niet laat genoeg om nog snel eentje te gaan pakken aan de toog – de Guinness weg te spoelen – en reeds een relaas van deze reis te doen.

Binnenkort trekken we nog eens naar de Dogestad. Misschien dat ik dan ook wel goesting heb om daar een en ander over te schrijven.

Halsoverkop

Niettegenstaande ik lange tijd afwezig ben geweest op dit medium, volg ik nog steeds een aantal bloggers die het in al die jaren zijn blijven volhouden. Ik was dan ook bijzonder verbaasd om plots een aantal oude blogs in mijn rss reader te zien verrijzen uit de vergetelheid, maar het spreekt dan ook voor zich dat het coronabeestje en de quarantaine daar voor een en ander tussen zitten.

Zo dacht ik reeds een tijdje geleden om eens terug een reisverslag op deze blog te schrijven. Wat ooit begon als een uit de hand gelopen cafétrip om een museum in Cambridge te bezoeken, is ondertussen geëvolueerd naar halve expedities aan de andere kant van de wereld. Deze keer had ik een reis naar Patagonië op poten gezet, en gezien ik enorm veel gehad heb aan bloggers wereldwijd qua planning en organisatie van deze trip, dacht ik om mijn ervaringen ter zake hier neer te schrijven en zodanig ook andere potentiële reizigers een paar stappen verder te helpen.

“Maar waarom zijt gij dan nog vertrokken?” krijg nu ik vaak te horen. Alsof al deze mensen over kristallen bollen beschikken die de huidige crisis konden voorspellen. Via een aantal OSINT accounts die ik volg op Twitter was ik reeds tot de vaststelling gekomen dat er een of andere Chinees een vleermuis had opgegeten die over datum was, en dat de bijhorende ziekte wellicht ging ontwikkelen tot een tweede SARS- of MERS-crisis. Dat was ergens begin januari, en ik prees mezelf gelukkig dat ik afgezien had van de originele plannen om naar Japan of Zuid-Korea te trekken. Op dat moment werd in onze pers amper gesproken over dit fenomeen en had ik ondertussen vliegtickets en verblijfplaatsen geboekt. Tegen eind januari bleek er toch iets meer aan de hand te zijn, doch hier was het nog steeds business as usual. De prepper in mezelf, die sowieso beschikt over een maandvoorraad (droge) voeding, dacht bij deze dat het wellicht geen kwaad kon om naar het diepe zuiden van Argentinië en Chili te reizen (er gebeurt daar toch niks) maar dat ik me bij terugkomst wel aan een aantal veranderingen kon verwachten. Een economische malaise of zo. Het tijdelijk stopzetten van de handel met Azië en daardoor een hoop miserie alhier omdat het gros van onze producten ginder geproduceerd worden. Of mainstream media die sensatie verkopen en klootjesvolk dat begint te hamsteren, zoals ten tijde van de Golfoorlog. Maar ook niet meer dan dat. Ik had bovendien nog zeker 2 pakken wc-papier.

IMG_20200327_094524Wanneer dan ook onze nationale griepcommissaris vertelt dat er niets aan de hand is en iedereen gerust mag gaan skiën, zag ik niet in waarom ik niet naar een land mocht reizen waar er überhaupt niets aan de hand was. Onze Italiaanse afdeling in Milaan beweerde dat alles onder controle was en we ons ook niet al teveel zorgen dienden te maken. Het was maar een soort griep weet u. Ik had er beter aan gedaan om de steeds duister wordende tweets van bovenstaande OSINT-kanalen ernstiger te nemen dan de mainstream media, maar ondertussen zat ik op het vliegtuig naar Argentinië.

Air Europa sucks, en dan vanwege het zure gezicht van de stewardessen en het beetje eten dat je kwijt kan in een holle tand, maar de Boeing 787 was best comfortabel. Ik had beter wat meer betaald om met Iberia te vliegen maar je probeert steevast hier en daar wat af te pingelen. Toen wist ik echter nog niet dat ik al snel met datzelfde Iberia zou terug vliegen. Zonder probleem in Argentinië aangekomen, en bijzonder vlot onze connectie gemaakt naar El Calafate in Patagonië, waar er nergens iets te merken was van de Covid-scare die zich ondertussen op andere plaatsen in de wereld begon af te spelen. We bezochten de Perito Moreno gletsjer onder perfecte omstandigheden en een dag later waren we onderweg naar El Chalten, alwaar we de iconische Fitz Roy trek gingen ondernemen. Een dubbeltje op zijn kant als we naar de laatste weerberichten keken, maar op de dag zelve zijn we onder schitterende omstandigheden dit stukje Andes gaan beklimmen en dit kunnen ze ons alvast niet meer afnemen.

2020-03-13_12-29-03

Het was tijdens de afdaling dat me een en ander begon te dagen. Ik kwam in gesprek met een aantal lokale begeleiders van groepen die wisten me te vertellen dat het “gerucht” de ronde deed dat Argentinië en Chili hun grenzen gingen sluiten. Nu ja, geruchten, tot we terug in het dorp kwamen en eindelijk wifi hadden. Het nieuws werd bevestigd door een aantal kranten en door de eigenaar van ons hostel, doch het leek in de eerste plaats een soort van paniekreactie te zijn waar niemand eigenlijk wist hoe het verder moest. Mijn reisgenoot was iets of wat de kluts kwijt en wist niet meteen wat er nu diende te gebeuren, doch vanwege de onheilstijdingen die uit Europa kwamen had ik ondertussen dan maar zelf de harde beslissing genomen om te kappen met de reis, zeker toen we dat andere gerucht hoorden waar Chili zijn landgrenzen sloot.

De volgende ochtend werd er officieel bevestigd dat deze landgrenzen inderdaad sloten, en dat ook alle nationale parken off limits waren. Bij deze had het dus ook officieel geen zin meer om nog te proberen de reis verder te zetten. Ik heb – gelukkig – de gewoonte om nooit accommodatie te boeken die ik niet minstens 24 uur op voorhand kan annuleren en dat geldt ook voor huurauto’s. Het opzeggen van al deze afspraken was dus zonder schade gebeurd, doch nu stelt zich de vraag wat we moesten aanvangen. “Stoemmelings” terug vliegen naar België of wachten tot onze normale terugkeerdatum? Ik had reeds onze ambassade gecontacteerd, maar ook daar was men even het noorden kwijt en probeerde men vooral in kaart te brengen hoeveel landgenoten zich waar bevonden. Ik kreeg het advies om zo snel mogelijk terug te reizen, gezien men niet zeker was hoe lang het Argentijnse luchtruim nog ging open blijven. Ondertussen stond zowat gans ons hostel op stelten en zag je enkel nog backpackers die druk bezig waren op de smartphone; deze keer niet om hun foto’s op Instagram te posten maar om zo snel mogelijk een ticket naar huis te bemachtigen.

Een ronduit onwerkelijke sfeer, die nog onwerkelijker werd, toen we door de plaatselijke Policia en Bomberos in quarantaine op onze kamer werden gezet. Veertien dagen. Punt. Wellicht op straffe van executie of zo. Onze kamers bevonden zich rond een binnenpleintje waar we dan door het raam en de open deur (dat mocht wel) met de andere backpackers konden communiceren. Zo werd het snel duidelijk dat we onze cel mochten verlaten van zodra we in het bezit waren van een ticket dat ons zo snel mogelijk huiswaarts kon brengen. Ondertussen hadden de meeste luchtvaartmaatschappijen hun vluchten ook gecanceld met enkel een voucher als compensatie. Het was ook onmogelijk om een helpdesk te bereiken en aldus was het snel beslist om kost wat kost te maken dat we daar weg kwamen. Via de smartphone had ik tickets gekocht naar Buenos Aires en verder naar Sao Paulo met Aerolineas Argentinas, gezien – weeral- het gerucht de ronde deed dat enkel Aerolineas nog binnenlandse en regionale vluchten mocht uitvoeren. Sao Paulo of Rio bleek dan de enige optie om snel in Europa te geraken daar plots het merendeel van de internationale vluchten van en naar Buenos Aires geschrapt waren of overvol zaten.

Dat heeft ons uiteraard een smak geld gekost, zeker wanneer je weet dat de Iberia-vlucht van Sao Paulo naar Amsterdam via Madrid evenveel kostte als de twee vorige segmenten. Duizend ballen in totaal, maar het kon me op dat moment weinig schelen gezien ik nu écht wel wou maken dat ik daar weg was. Na een kort onderzoek door een lokale dokter kregen we een certificaat dat ons toeliet om de reis te maken, en uiteraard werd er nergens naar ditzelfde certificaat gevraagd; niet door de policia, niet door de gendarmeria … We kwamen zonder verdere incidenten aan in Buenos Aires, waar er ondertussen reeds heel wat toeristen – die aan quarantaine ontsnapt waren – op de luchthaven rondliepen en die ter plaatse nog (perperdure) tickets probeerden te bemachtigen. Zo was het ondertussen onze beurt geworden om in te checken voor de vlucht naar Brazilië.

“You can’t fly to Brazil mister. They will stop you at the border and we will get in trouble for allowing you on the flight” zei de baliebeambte tegen me. Qué? Dat bleek dus later ook een gerucht te zijn dat de ronde deed onder het personeel van de luchthaven. Naast ons twee Nederlanders die in een Franse colère schoten omdat ze hetzelfde te horen kregen. Op zo’n moment is het uiteraard handig om in de luchtvaart te werken en een scan van je personeelsbadge mee te hebben. Ik maakte de bediende van Aerolineas aldus diets dat ik operationeel manager ben bij een zeer grote luchtvaartmultinational, dat hij ons niet kon weigeren gezien we over legale papieren beschikten, een geldig ticket en er van visa geen sprake was. Dat er bovendien niets in de “Notice to Airmen” stond vermeld over eventuele sanitaire beperkingen op Sao Paulo Airport. Dat ik zijn luchtvaartmaatschappij ging later overkopen door mijn multinational en dat hij vervolgens ging gedegradeerd worden tot toiletkorvee en op zijn minst de Gestapo aan zijn deur kon verwachten als hij ons niet meteen kon inchecken.

Dat laatste is uiteraard niet helemaal waar, maar ik heb vervolgens met de Supervisor gesproken en na een parlé van een kwartiertje werden we ingechecked. Wellicht heeft de man dan maar toch even gebeld met zijn Operations Control Centre in plaats van onnozele geruchten achterna te lopen. Ik was eventjes een zenuwtoeval nabij (stel je voor dat we daar vastzaten en toch weer 14 dagen in quarantaine moesten?) maar een tijdje later zaten we op het vliegtuig naar Sao Paulo en hadden we in de twee Nederlanders nog toffe lotgenoten gevonden ook. Zo hebben we toch even een voet buiten de luchthaven van Sao Paulo gezet om vast te stellen dat we inderdaad geen tijd hadden om deze wellicht razend interessante stad te bezoeken (en al zeker niet omdat Corona ook daar aanwezig bleek te zijn) en na met ons vieren de voormiddag doorgebracht te hebben op de luchthaven, waar de (échte) Caipirinha’s goedkoper zijn dan bij ons op café, zaten we eindelijk op het vliegtuig naar Madrid. Terug naar Europa.

Het boordpersoneel droeg mondmaskers en latex-handschoenen en wie durfde hoesten (al was het maar een klein kuchje) kreeg meteen het boze oog van de 300 andere passagiers en riskeerde om overboord gegooid te worden. Ook ik had mijn masker op. Toen ik vertrok was er sprake van een aantal Covid-gevallen rond Madrid en ik meende dat het misschien een goed idee om deze maskers mee te nemen net zoals Aziatische reizigers dat doen. Je weet maar nooit dat het daar een probleem wordt daar in Madrid, maar in België zal het wel zo’n vaart niet lopen, laat staan in Patagonië. Het is immers een lelijk griepje en niet meer. Right? Zonde ook om halsoverkop uit Zuid Amerika te vertrekken en onder prachtige weersomstandigheden boven het uitgestrekte Brazilië te vliegen zonder de kans te krijgen om dit land te bezoeken. Afin, een nachtje vliegen en we stonden aan de grond in Madrid, alwaar ik er in geslaagd ben om quasi niets – quasi niets (!) – aan te raken op die twee uur dat ik er diende te wachten op mijn connectie naar Amsterdam. Ik heb er ook zeker twintig keer mijn handen gewassen.

In dit soort crisistijden wordt het kaf ook onmiddellijk van het koren gescheiden en kom je tot de vaststelling dat er een flink aantal idioten rondlopen op deze aardkloot. Zo kwamen we aan in de internationale terminal en dien je een treintje te nemen naar de Europese terminal, waarbij het gros van de transitpassagiers zichzelf op een grote hoop in dat treintje wurmen, uit angst dat de volgende vlucht zonder hen zou vertrekken. Zelf bleven we met een aantal anderen wachten tot de volgende trein alwaar we – zoals gevraagd door de luchthaven – de regels van social distancing konden respecteren. Op het vliegtuig naar Amsterdam werden we zoveel mogelijk uit elkaar gezet om vervolgens in Nederland aan te komen, waar er op Schiphol niets aan de hand leek. Het was dan ook onwezenlijk om alleen op de trein naar België te zitten en thuis aan te komen om mezelf af te vragen wat ik nu eigenlijk allemaal had gedaan in die laatste 48 uur.

Dat wou ik nu eens even kwijt.

Ijsland – de finale

     IMG_20150531_135353 Met enige weemoed keek ik naar de skipistes in de heuvels van Akureyri, die mijns inziens nog met meer dan genoeg sneeuw voorzien waren, maar ook daar was het seizoen reeds een paar weken afgesloten. Spijtig – dit was een niet alledaagse plaats geweest om op de latten te staan! Afin, de dag na het bezoek aan de noordelijkste stad van Ijsland stond in het teken van een flinke rit, die stilaan – helaas! – terug naar het zuiden zou afbuigen.

Omdat ik een goeie tip had gevonden op een blog ging het eerst richting Grettislaug, wat zowat het noordelijkste punt van onze reis ging worden op een kleine 100 km van de poolcirkel en gelegen aan de Groenlandzee. Of we ginder gingen overnachten was nog een vraag, gezien we niet wisten of de plaatselijke “camping” – een weide in een godvergeten gat, enkel bereikbaar via een lange gravel road – reeds open was, maar het vooruitzicht om ter plaatse te kunnen gebruikmaken van de spotgoedkope hot pool (dat hete water komt daar zomaar uit de grond, zoals op zovele plaatsen in Ijsland) leek ons toch een leuk vooruitzicht. Ter plaatse bleek de accommodatie – er was ook een kleine guesthouse – nog maar nét operationeel, en de snijdende ijskoude wind maakte dat we toch maar een eindje doorreden naar iets rustiger oorden. In het prachtige Hrútafjörður vonden we de ideale overnachtingsplaats, inclusief gratis hot pools (!) en met dank aan Lonely Planet, en waren we weeral een flink stuk gevorderd voor de laatste etappes richting Snæfellsnes.

Dit grootste schiereiland van Ijsland had alleszins nog een heleboel te bieden. Zo was er uiteraard de obligatoire passage voorbij de Kirkjufell, die u misschien al een eerder op prentjes hebt gezien, en vorderden we daarna flink door naar de Snaefellsjökull die ons voor de laatste keer zou doen kennismaken met een gletsjer. Helaas … Ook daar waren een groot deel van de bergwegen nog niet vrijgemaakt en bleef het dus bij fenomenale vergezichten ergens op de sneeuwgrens. Daarentegen maakten we kennis met het alleraardigste mos – waar gij u zo op kunt neervlijen – ergens in een lavaveld (hoe kan het ook anders!) en waar het schijnbaar een ideale wildkampeerplaats bleek te zijn, daar de beste plaatsen, aan de rivier, reeds ingenomen waren. Om zeker te zijn dat we de dag nadien op tijd Reykjavik zouden bereiken hebben we dan toch maar geopteerd voor een camping op het zuiden van het schiereiland, en waar ik – aan het vriendelijke Nederlandse koppel, dat naast ons de tent opsloeg – bewezen heb dat ik soms ook sociaal kan zijn (en dat viel best mee; de vakantiestemming zal er voor een en ander tussen gezeten hebben veronderstel ik :-))

Om toch nog even van het prachtig natuurschoon te genieten alvorens terug de stad in te trekken, werd er nog een omweg gemaakt via het binnenland, waar we in stralende zon de  Barnafoss bezochten, en ik nog een poging deed om via een bergweg en een aantal gletsjers richting de hoofdstad te trekken, maar waar wewederom helaas – rechtsomkeer dienden te maken bij een stel sneeuwruimers die nog een boel werk voor de boeg hadden.

De rit naar Reykjavik was “uneventful” en het was zelfs iets of wat spijtig om terug in de “bewoonde wereld” terecht te komen. Een toch wel gezellige stad, dat Reykjavik, waar een flinke brok cultuur kan gecombineerd worden met de betere Ijslandse cuisine en waar we zowaar de Ijslandse president tegen kwamen, want wie anders rijdt er rond met een dikke zwarte bak met Ijslandse nummerplaat “1”? De dag werd besteed met sightseeing en de aankoop van wol, een paar schapen waard, en waar Penelope haar bagagequota flink op had voorzien.

Ze had ’t dan ook verdiend, gezien ik haar bij deze, met trots, de medaille van moed, zelfopoffering en ijskoud kamperen mag aanbieden, zeker omdat ze tot nu toe slechts één keer gekampeerd had en dan nog wel in het zomerse Frankrijk. Een flinke prestatie! Het had dan ook gerust een stuk langer mogen duren, en wellicht komen we hier nog eens terug – er is hier nog zoveel te zien! Een ander record werd dan weeral gevestigd toen ik de dag na onze terugkeer op het werk aankwam, en mijn vakantiesfeer ditmaal binnen de 15 minuten volledig verdwenen was, waar dat vorig jaar nog een uurtje had geduurd. Maar dat is een ander verhaal. Afin, om te besluiten: Ijsland – dat moet ge doen!

Ijsland! Deel 3

IMG_20150528_122950-PANO

Ik ging er maar van uit dat er toch ergens op onze route nog een winkeltje met kampeermateriaal zou te vinden zijn, want de nacht, op een zachtjes aflopende matras, was toch maar aan de frisse kant geweest. Na het afbreken van de tent – waar we ondertussen erg vlot in werden – werd koers gezet richting Jökullsarlon, waar het gletsjermeer met rondrijvende ijsbergen (-jes) spektakel beloofde. Waarlijk wonderlijk om zien, en in de buurt ligt er nog een minder druk bezocht, quasi identiek, gletsjermeer – Fjallsárlón – dat een parochie eerder ligt en met zijn fenomenale stilte mijn hart onmiddellijk bekoorde. In dezelfde contreien vindt ge ook de Flaajökull alwaar gij – jochei! – over een hangbrug tot aan de voet van de gletsjer kunt geraken. Toch was ik dit keer meer dan tevreden dat ik een dure koffie kon slurpen in de drukke “cafetaria” van Jökullsarlon waar ik dan toch even via de wifi kon kijken of ik nog ergens aan een nieuwe matras kon geraken, en het moest toch weeral eens lukken dat dit in onze volgende stop – de “stad” Egilsstadir – voor mekaar zou komen.

Via een stuk van de prachtige Oost-fjorden ging het over de Öxi-pas – een aanradertje voor de sportievere chauffeurs onder ons – naar het eerder vernoemde Egilsstadir, waar gij godbetert hele bossen kunt terugvinden. Niet het soort van dichte wouden zoals wij deze kennen – eerder een uit de hand gelopen collectie kerstbomen – maar toch een aanwijzing dat de Ijslanders de herbebossing van hun eiland meer dan ernstig nemen. Gezien de kampeerwinkel gesloten was, en we aan elkaar grif toegaven dat de koude van de laatste dagen toch ietwat in de botten gekropen was, besloten we die nacht in een guest house door te brengen. Dankzij het feit dat we nog in het laagseizoen waren viel de prijs al bij al mee voor een dubbeltje met gedeeld sanitair (75€), daar waar die prijs, een aantal weken later, vlot naar de 140€ schiet. Ge kunt het de Ijslander daarentegen ook niet echt verwijten gezien zij hun winsten uit drie maanden hoogseizoen moeten halen. Het deed alleszins deugd om een hete douche te nemen en te slapen tussen verse lakens op een gloednieuwe kamer mét verduisterende gordijnen!

De volgende stop lag dan weeral een paar honderd kilometer verder – nadat gij door een maanlandschap rijdt waar gij niks, maar dan ook niks (!) tegenkomt – en bevond zich rond het Myvatn meer, welk bekend staat vanwege zijn geothermische “activiteiten”. Ook hier IMG_20150527_152207hebben we flink wat lol beleefd aan de fumarolen, solfataren en andere hete modderpoelen, en de “geur” van de hete dampen namen we er – met temperaturen rond het vriespunt – graag bij! Deze plek was zowat de enige plaats op onze reis die nog niet helemaal doorhad dat de lente weeral begonnen was. Ook de Sellfoss, die we op de weg naar hier bezochten lag nog onder een dik deken van sneeuw. Een aardigheidje in deze omgeving is Grjótagjá, dat tot voor kort quasi onbekend was, maar nu hele drommen toeristen trekt omdat Jon Snow hier Ygritte alle hoeken van deze grot liet zien. Dit is dan ook de omgeving die figureerde in “Game of Thrones” als “beyond the wall” en ik kan enkel beamen dat deze locatie perfect is. Die nacht kreeg onze tent nog ijsregen en sneeuwnaalden te verduren, en waren we maar al te blij dat we onszelf te week kondenIMG_20150527_203354 leggen in de Jarðböðin við Mývatn (Myvatn Nature Baths) wat zo ongeveer hetzelfde is als de beruchte Blue Lagoon, maar minder druk en bovendien een stuk goedkoper. Een klein akkefietje met de douches die door een defect plots koud water spoten, en een Penelope in topvorm die nogal goed kan onderhandelen ter compensatie, maakten dat we de dag nadien nog eens “voor niets” in de warme poelen konden drijven, nadat we een stevige wandeling maakten naar de kraterrand van de Hverfjall, alvorens richting Akureyri te trekken. Die andere fameuze krater en landmark – Viti – was helaas volledig dichtgesneeuwd …

Vooraleer we in de tweede stad van Ijsland aankwamen werd er nog eens gestopt bij de GodafossIMG_20150528_171720  – weeral een prachtige waterval – alvorens naar de stad te trekken en toch maar weer eens voor de plaatselijke jeugdherberg te kiezen, waar we voor een schappelijke prijs in een piepkleine kamer de nacht konden doorbrengen. Niet dat we niet wilden kamperen, maar de camping was simpelweg leeg, en het leek ons beter om een uitvalsbasis te hebben die iets korter bij het stadscentrum lag.

IMG_20150529_115648Akureyri, dat al tot mijn verbeelding sprak sinds Kuifje er met de Aurora aanlegde, is zowat het kruispunt van het noorden van het eiland en was eigenlijk best een gezellige stad te noemen, hoe klein deze plaats naar onze normen wel was. Ook zal je hier hele kuddes aangespoelde Amerikaanse bejaarden tegenkomen vanwege de vele cruiseschepen die hier aanleggen. Spijtig dat er in de botanische tuin nog niet teveel te beleven viel, maar de “lentezon” en de “exotische” vliegtuigen die van hier naar Groenland vertrekken (knalrode Twin-Otters!) maakten veel goed. Bovendien verstuurde ik voor het eerst in lange jaren postkaarten, en niettegenstaande we hier in de buurt van de poolcirkel toefden, waren ze reeds op het thuisfront gearriveerd alvorens wijzelf terug waren. Een bank vooruit voor de Ijslandse post!

Wordt vervolgd!

Ijsland – het vervolg!

    IMG_20150525_112646-PANO(1)Onze tent had de regenachtige nacht goed doorstaan en gezien we over goede slaapzakken beschikken waren de lage temperaturen geen punt, behalve dan dat mijn matje was leegelopen en ik tegen de ochtend toch wakker werd met een kil gevoel in de botten. Het blijft wel wennen om met een muts te slapen en bijzonder interessant om “in het midden van de nacht” op te staan – om te waterizeren – en vast te stellen dat er quasi geen verschil is met de klaarlichte dag. De vogels fluiten gewoonweg door en de zon verwijnt maar even achter de horizon. De poolcirkel lonkt.

Wederom stond er een drukke dag op het programma, waarbij eerst richting Skogafoss werd getrokken – ook weeral zo’n fameuze waterval – om vervolgens het plaatselijke volksmuseum te bezoeken en zo ook al een stuk historie mee te krijgen. Beide zijn zeer de moeite en gelukkig hadden we voldoende tijd uitgetrokken voor het museum, niettegenstaande er nog een flink stuk gereden moest worden. Eerst kwam de vuurtoren op de rots van Dyrhólaey aan de beurt, waar er normaal gezien vele papegaaiduikers nestelen – en we gingen eigenlijk enkel en alleen voor de papegaaiduikers – maar ditmaal zat de rots vol met gewone meeuwen. Waar we niet op hadden gerekend was het wondermooie panorama bovenop de rots, met zicht op de zwarte stranden, de Eyjafjallajökull (jawel, dé Eyjafjallajökull – wij kunnen dat zelfs uitspreken) en de Reynisdrangar (basaltzuilen) op het even zwarte strand van Vík í Mýrdal, wat onze volgende stop was.

Ook op dit – prachtige – strand worden hele busladingen toeristen verstrooid die zich, statief en selfiestick in de aanslag, voor de eigenaardige basaltkolommen verdringen, net om de hoek bij de parking. Het volstaat echter om 100 meter verder te lopen om dezelfde formaties te zien en u te vergapen aan het natuurgeweld van de Atlantische Oceaan en u te verbazen over dit landschap dat zowaar van een andere planeet zou kunnen komen. Een Ijslandse cappucino, overbelaste wifi en een duur stuk chocoladetaart verder, trokken we naar Vík í Mýrdal zelve, alwaar wij nog dienden te tanken voor de volgende etappe die naar het nationale park van Skaftafell zou leiden.

Onderweg naar Skaftafell hielden we halt bij een van die minder bekende “hidden gems” van Ijsland om nog een korte wandeling te maken in – alweer – een formidabel landschap. Het betreft hier de canyon van Fjaðrárgljúfur (probeer dat eens driemaal na elkaar te zeggen). Relatief eenvoudig om te vinden maar de weg naar deze canyon is een gravelbaan vol putten en bulten, bezaaid met flinke keien, zodat we toch maar blij waren dat we hier niet met een gloednieuwe Toyota Aygo of andere schoenendoos op wielen waren. Toch zijn er mensen, en dat viel ons meermaals op, die een kleine goedkope wagen huren en dan toch proberen op wegen te rijden die normaal gezien enkel geschikt zijn voor 4×4’s, met alle gevolgen van dien wanneer achteraf de kleine lettertjes van het huurcontract onder de loep genomen worden. Zelf hebben we een aantal (stukken) van zogenaamde F-roads uitgeprobeerd (die al open waren) en ik kan u verzekeren dat ge daar met uw eigen wagen niet wilt komen en gij uzelve prijst voor de extra gravel protection en super damage waiver die gij gekozen hebt. Het moest maar eens verkeerd lopen … Wel enorme fun wanneer gij houdt van wat extra uitdaging bij het sturen en voor mijn part mag het zelfs meer van dattum zijn.

Bij het bezoeken van deze canyon – want ik wijk af – werden we nog op een ander aspect van Ijsland gewezen, waarbij het ons opviel hoe “open” de attracties zijn. Waar gij in de US of A alles van achter veilige borstweringen vol met disclaimers kunt aanschouwen zijn er hier veel plaatsen waar gij open en bloot tot bij al het natuurschoon kunt wandelen zonder ook maar tegengehouden te worden door één schutting. Het was dan ook totaal onverantwoord om mensen op het randje van deze ongeveer 100 meter diepe canyon te zien balanceren met – jawel – hun statief. Dat er hier niet meer de diepte zijn ingetuimeld, zeker bij de windvlagen die hier heel normaal zijn, mag dan ook een wonder heten. Alleszins een aanrader die Fjaðrárgljúfur- want ik week weer af – en het is best mogelijk om daar mooie foto’s te maken zonder uw nek te breken.

Goed geluimd, want de zon scheen, ging het vervolgens naar Skaftafell, wat voor mij persoonlijk toch een hoogtepunt diende te worden. In deze tijd van het jaar is het nationaal park nog niet al te druk bezocht en zou het dus fijn hiken worden naar de top van de Kristinartindar waar ge vanop zo’n goeie 1000 meter een fenomenaal zicht hebt op de Skaftafellsjökull (een gigantische gletsjer) en nog een heleboel even fenomenale gletsjers met al even fenomenale namen daaromheen. Op de weg naar het park rijdt gij door de Skeiðarársandur wat een onaards landschap is met aan de ene kant majestueuze gletsjers en aan de andere kant tientallen kilometers “niets” tot aan de oceaan. U merkt het aan mijn gebruik van superlatieven; ik was flink onder de indruk! De tent stond snel recht, niettegenstaande onder het mooie en lege grasveld keien en rotsen schuilden, en de van thuis meegebrachte “stevige” haringen goed hun dienst bewezen.

Waar ik mijn routeplanning met militaire precisie had ontworpen (locatie van tankstations, supermarkten, …) had ik over het hoofd gezien dat we op een zondag gingen aankomen in Skaftafell en ik helemaal geen stop had voorzien in een “deftige” supermarkt. Daar het park werkelijk in the middle of nowhere gelegen is en gij minstens 100 km dient te rijden alvorens een nederzetting, die naam waardig, tegen te komen, zat er niets anders op dan onze maaltijd bij elkaar te zoeken in het tankstation dat net buiten de camping gelegen was – op de camping waren de faciliteiten ook minimaal – en die avond schafte de pot een interessante – en best smakelijke – mix van bonen in tomatensaus, tonijn, rijst en nachosaus om er een pikante toets aan te geven.

Die “nacht” hoorde ik voor het eerst het baltsen van de snip en gezien ik geen beschikking had over wifi hield dat beest me niet alleen uit de slaap maar kon ik haast mijn muts opvreten omdat ik die vogel niet onmiddellijk kon identificeren (zo ben ik nu eenmaal). Daarentegen was het gebrek aan slaap ook te wijten aan een plat matrasje en deze keer kon ik niet anders dan vaststellen dat het zijn beste tijd had gehad. Wel een probleem met de koude ondergrond en uiteraard vind je daar niet zomaar een outdoor shop … Ik liet echter mijn plezier niet vergallen, ook al was de top van de Kristinartindar niet bereikbaar vanwege de dooi, maar de wandeling tot ongeveer driekwart hoogte van de berg – super panorama en oorverdovende stilte – alsook de afdaling via Svartifoss maakten mij een happy camper – letterlijk. Die avond werden er weer bonen, tonijn en rijst gegeten, sliep ik plat op de grond en vroeg ik mij af hoe die vogel heette die het geluid maakt van een kapotte stofzuiger …

Binnenkort meer!

Ijsland!

Het is eens iets anders wanneer gij des ochtends uw tent opentrekt en – in plaats van uw zonovergoten croissants te scoren – onmiddellijk nagaat of uw tent het wel gehouden heeft in de voorbije nacht. Hangt alles nog vast? Geen lekken? Was dat sneeuw vannacht? Want zo gaat dat wanneer gij voor één keer niet in het Zuiden maar in het hoge noorden kampeert en dan nog wel in de korte flits die ginder “lente” heet maar eerder op een doorsnee Vlaamse maand februari lijkt.

De vlucht naar Ijsland was uneventful en wat mij betreft is Icelandair best een aardige maatschappij. Sneller dan ik eigenlijk had verwacht stonden we reeds in Keflavik alwaar de zon scheen (ha!) en waar de koude lucht zo zuiver is dat ge deze bijna kunt knabbelen. Daar we geen tijd te verliezen hadden ging het op een drafje – met een zware rugzak, waarbij mijn rug mij er aan herinnerde dat het jaren geleden was dat ik nog backpacker was geweest – naar het autoverhuurbedrijf alwaar ik een klein tweedehands (die prijzen!) viertrekkertje had gereserveerd om vervolgens fluks richting Reykjavik te rijden. Neen, wij zijn niet eerst naar de Blue Lagoon getrokken – dat is een grote tourist trap, en wij hadden een alternatief waarover later meer – maar eerder richting kampeerwinkel om een extra grondzeil en hamer te kopen, gezien het nogal onnozel leek om een hamer mee te sleuren in onze baggage, en vervolgens naar een supermarkt om onze eerste lading proviand in te slagen, want wij gingen uiteraard zelf koken – zo niet zou het geen echte kampeertrip zijn.

De kilometers tussen Keflavik en de hoofdstad zagen er lichtelijk onheilspellend uit. Een pokdalig maanlandschap waar geen boom te bekennen valt en gij u onmogelijk voor wind of regen kunt verschuilen. Het was dan ook een opluchting om vast te stellen dat Reykjavik best een groene stad is (er stond alleen nog geen blad op de bomen) en de stadscamping enorm goed mee viel. De temperatuur kwam niet boven de 6° uit, maar in de zon viel het best mee. Het was dan ook verwonderlijk om een eerste keer met het snel veranderende Ijslandse weer kennis te maken en diezelfde nacht geen oog dicht te doen vanwege de slagregens die onze tent tormenteerden. Fijn om de volgende ochtend, koud, miezerig en grijs, vast te stellen dat onze tent uit het juiste zeil gesneden is.

Nu moet gij u voorstellen dat er op Ijsland een ringweg loopt, en dat de zo goed als de enige grote geasfalteerde baan is, of toch voor een groot stuk, en de vele attracties en wonderen der natuur her en der rond deze ringweg verspreid liggen. Gij kunt kiezen of ge deze Þjóðvegur wijzer- of tegenwijzerzin volgt – wij deden het laatste, en zowat iedere toerist zal ook deze zelfde weg volgen. Aldus stond onze eerste dag in het teken van de zogenaamde “Golden Circle” welke ook enorm populair is bij de dagjestoeristen (die bestaan, vanwege de korte stopovers van Icelandair onderweg naar de US of A) en gij u aldus niet teveel dient te storen aan de hele hordes bussen die allemaal in dezelfde richting vertrekken, en waarbij dat laatste in mijn geval weinig zin heeft. Bij onze eerste stop – Thingvellir – werd ik aldus geconfronteerd met het fenomeen “selfie-Chinees” en kwam ik tot de vaststelling dat het alweer een tijdje geleden was dat ik op de internationale boemel ben geweest en met een aantal trends totaal niet mee ben. Over Thingvellir (de dubbele “l” spreekt gij uit als “tl” in het Ijslands) kan ik u vertellen dat dit een plaats is met een enorme geschiedkundige betekenis voor de Ijslander – hier hielden de vikings hun volksvergaderingen – maar buiten een aantal flinke rotsen is er van die vergaderplaats weinig te zien, en het zal wellicht aan mijn humeur gelegen hebben – grijs miezerig weer en selfie-Chinezen – dat ik het een beetje aan me liet voorbijgaan. Wel spectaculair is de rift – de scheiding tussen de continentale platen van Europa en Amerika – die daar zomaar uit de grond komt en duidelijk te onderscheiden is.

Afin, het duurde niet lang vooraleer we richting Geysir trokken – jawel, dé Geysir, waar al die andere hun naam vandaan hebben gehaald – met het idee dat er daar iets meer leven in de brouwerij zou komen. Ik vond het alleszins prachtig om, na lange jaren, weer geconfronteerd te worden met dit soort van geothermische verschijnselen – en de geur van rotte eieren die meteen happy memories terugbrachten – maar om ietwat contraire te zijn moet ik stellen dat de Strokkurgeiser, want Geysir heeft er al een paar jaar de brui aan gegeven, slechts een waterketeltje lijkt in vergelijking met de Old Faithful in Yellowstone, maar desalniettemin vond ik het prachtig!

Vervolgens kwam een icoon van Ijsland aan de beurt: de Gullfoss, die gij allen IMG_20150523_141252waarschijnlijk kent van prentbriefkaarten en andere parafernalia. Een kanjer van een waterval zonder weerga. Ook hier heel wat selfie-Chinezen (die mensen zijn vergroeid met hun selfiestick) maar dat kon me weinig deren bij het aanschouwen van een waterval waar ge haast niet op uitgekeken raakt. Wel opletten voor de hele wouden aan statieven met telelenzen, want sinds we ons geen zorgen meer moeten maken om pellicule en ontwikkelingschemicaliën blijkt iedereen plots fotograaf te zijn. Mijn prentjes, geschoten met mijn mobieltje, geven nog bijlange niet de grootsheid van dit natuurwonder weer, en dat kunt gij, me dunkt, met de beste apparatuur ook nooit weergeven.

Een paar hete kommen soep-met-schapenvlees later (het was berekoud) ging het dan IMG_20150524_073328naar de tweede overnachtingsplaats, want we hadden reeds een flink aantal kilometers achter de kiezen, en het was nog een hele rit naar Seljalandsfoss, waar wij bij deze bekende waterval – waar ge helemaal achter kunt lopen en kletsnat wordt – onze tent voor de  nacht zouden opslagen. Daarna zouden wij naar minder bevolkte oorden trekken.

De dikke slaapzakken waren snel dichtgeritst en de eerste drukke dag deed de rest …

Meer volgt binnenkort!

Tent

Zoals Nina reeds stelde in de comments van mijn vorige stuk zou deze blogpost kunnen gaan over de zoektocht naar een geschikte tent en een nieuwe jas, ware het niet dat ik deze laatste puur toevallig in een outlet heb kunnen scoren en de tent , dankzij het wereldwijde web, alras werd gevonden en ondertussen geleverd is. Ijsland is nu niet meteen de bestemming die je bezoekt wanneer zonovergoten stranden uw ding zijn, en het weer schijnt, op zijn zachtst gezegd, erg veranderlijk te zijn. Bovendien gaan we kamperen – jawel – en vandaar dat ik toch enige uren op het internet doorbracht met de zoektocht naar een betaalbare tent die toch enigszins tegen sterke wind bestand is.

Ijsland is niet direct een goedkope bestemming, en de verslagen van bloggers wereldwijd lijken dit te beamen, niettegenstaande hier en daar uitkijken en vooral veel opzoekingswerk doen een groot verschil maken qua tarieven. De ”jeep” (een kleintje hoor) die ik huurde blijkt een stuk goedkoper bij een van de lokale verhuurders – de doorsnee Amerikaan lijkt stoemelings te boeken bij de grote verhuurbedrijven – en om geen kat in een zak te kopen zijn er steeds de reviews op tripadvisor (goud waard die site!). Qua accommodatie leek kamperen ons de goedkoopste optie, na aftrek van de nieuwe tent (een Vango – Schots, aldus weerbestendig, en op het eerste zicht puik materiaal) en met het idee dat we enkel bij ronduit afgrijselijk weer van de verder peperdure ho(s)tels gaan gebruik maken. Met een beetje geluk hoeft dat niet het geval te zijn en de statistieken lijken uit te wijzen dat Mei zowat de droogste maand van het jaar is.

Ik ben er toch niet helemaal gerust in, en herinner me levendig een aantal steenkoude nachten, putteke zomer, in de Rocky Mountains waar ik niet wist waar kruipen in mijn onnozele slaapzak met comfortlimiet van 5°. Ondertussen ben ik de gelukkige bezitter van een “extremer” model waar het comfortniveau -9 is, en zie ik de Ijslandse nachten met nét iets meer vertrouwen tegemoet. Inmiddels ben ik druk bezig met het construeren van een reisroute en heb ik de campings in functie van het aantal bomen – windbreking! – in kaart gebracht. Best moeilijk, gezien bomen nogal zeldzaam zijn op dit eiland, maar de Ijslanders hebben de laatste decennia gelukkig flink bijgeplant.

Stilaan begint de reis vorm te krijgen, en ik kan u verzekeren dat ik reeds aan het aftellen ben. Wordt vervolgd!

Bucket List

gullfossPenelope en ik trekken op het einde van de maand Mei naar Ijsland, want dat had ik u nog niet verteld. Ijsland potjandorie! Het land van vikings, trollen en elfen, alsook het eiland waar Tolkien de mosterd haalde voor zijn meesterwerken. U had misschien gedacht dat dit Nieuw-Zeeland was, maar dat is enkel te danken aan de geniale regisseur van de LOTR-films. De sagen van Ijsland vertonen dan ook niet toevallig sterke gelijkenissen met de verhalen uit Midden-Aarde.

Nu ik het toch over Ijsland en Nieuw-Zeeland heb: het eerste kan dus binnenkort van de bucket list geschrapt worden en het tweede werd reeds tien jaar geleden doorstreept Het werd aldus zo stilaan tijd om de draad van het reizen weer op te pakken, na jaren van te-renoveren-bakstenen en andere mishaps die een mens geen andere keuze laten dan in zijn kot te blijven.

Staan voorlopig nog te blinken op de bucket list: de Himalaya, Patagonië en de Kilimanjaro, alsook iets minder spectaculaire dingen zoals New England en de Azoren, tot ronduit “exotische” bestemmingen – althans voor mij toch – zoals Antarctica en Noord-Korea, en waar ik niet geheel zeker ben, vooral van dat laatste dan, of ik daar überhaupt ga komen of zelfs binnen mag.

Afin, wat Ijsland betreft zal ik u uiteraard op de hoogte houden van de voorbereidingen – het wordt een kampeertrip (!) – gezien ook ik reeds een schat informatie uit blogs heb gehaald en ik graag mijn ervaringen deel met diegenen die na mij komen.

Ik zie slechts één probleem. Overal waar ik geweest ben wil ik terugkomen en ik vrees dat dit deze keer niet anders zal zijn. Een mens zou twee levens moeten hebben …

PS: ik hoop u al even mooie foto’s mee te brengen 🙂