De koning van Siam

“Ik ben volmaakt gelukkig, redelijk ziek, verteerd door levenstwijfel en doodsverachting. Deze combinatie is zeer goed mogelijk voor wie een krachtige geest bezit; voor wie wil vechten tot het bittere eind, en zo cynisch is als de koning van Siam. Voor de rest blijft het aanmodderen, uitkijken vanwaar de wind waait en ervoor zorgen dat je van ellende niet omvalt. Als dat laatste gebeurt, dan moet je het relativeren en weer overeind klauteren.” (uit “Ex-drummer” van H. Brusselmans)

Ik ben aan het prakkezeren, en dat gebeurt wel eens vaker, al dan niet in combinatie met het lezen van briljante, haast autobiografische stukjes in een boek, of het nu van Brusselmans of een andere schrijver is. Prakkezeren omwille van dingen die in het recente verleden gebeurden, en waardoor de melancholicus in mezelf vaak lange tijd in rondjes blijft draaien. Maar plots, wanneer ge dat niet verwacht, gaat het licht schijnen en trekt ge conclusies die ge al langer kon trekken. Soms trok ge de goeie conclusies en soms zat ge er vierkant naast, maar opeens kunt ge dat allemaal plaatsen en kunt ge een verteerbare uitleg verzinnen voor het bange wezeltje dat zich ergens achteraan in uw onderbewustzijn heeft verstopt. Weliswaar, naar de aard van het beestje, een paradoxale uitleg van primaire emoties en mathematisch correcte ratio, maar tevens genoeg om uw demonen een djoef op de mulle te geven. Voor uzelf hebt ge immers altijd gelijk.

En plots kunt ge weer vooruit. De wind zal goed staan vermoed ik.

Van drie tot zes

Ik ben een fan van Brusselmans.  Sinds die keer dat ik “vergeef me de liefde” in handen kreeg, ben ik een voorwaardelijke fan.  Voorwaardelijk.  Het ene boek al wat beter dan het andere (de gustibus et coloribus non est disputandum), maar samengevat kan ik stellen dat hij een goeie mixtuur heeft gevonden van zwarte, snoeiharde humor, afgewisseld met fijnbesnaarde en diepgaande zielenroerselen.    En zolang hij de goegemeente blijft ergeren met z’n cynisme, ironie en zelfspot blijf ik hem allicht graag lezen.

Maar de laatste Brusselmans – “Van drie tot zes” – viel me eerlijk gezegd wat tegen.  In tegenstelling tot zijn vorige werken kwam ik ditmaal tot de vaststelling dat ik het boek ietwat diagonaal heb gelezen, en ik moeite had om mijn aandacht erbij te houden. Daar waar ik vroeger had geleerd om vooral aandachtig en rustig te lezen, en met een fijn potlood de passages te markeren waar ik het bijzonder schoon  vond.  Of zo hebben ze ’t ons toch op school geleerd.   Daarom begin ik te vrezen dat Herman wel degelijk zwaar afziet van de (tijdelijke?) breuk met zijn grote liefde.  Hij lijkt compleet overstuur te zijn (druipt het niet van zijn laatste interview af?), en op een of andere manier heeft het – in my honest opinion – zijn laatste creatie beïnvloed.  Niettegenstaande ik zijn situatie volkomen begrijp, en zelf ervaringsdeskundige ben op het  gebied van de angsten die hem veelvuldig tormenteren, kan ik alleen maar zeggen: “Verdoemme Herman, herpakt u!”

Ik ben nu aan de voorlaatste begonnen (“Trager dan de snelheid”), en deze leest gelukkig een stuk lekkerder weg.   Afin, het kan niet altijd vollenbak zijn en misschien ligt het aan mij, en zag ik weeral niet wat anderen wél zien.   Voorwaar ik zeg u: het Magnus Opus van Brusselmans moet nog komen!  Heuglijke vooruitzichten dus!  Maar ondertussen heb ik eigenlijk deernis met deze man.  Welgemeend, als voorwaardelijke fan.  Hij zou het niet graag hebben.  Deernis is voor jeanetten.