Ik leef!

Directievergadering in het dialect. ’t Is eens wat anders, maar ook niet verwonderlijk gezien onze groep uit die-hard luchtvaart buffs bestaat die toevallig allemaal uit dezelfde streek rond de luchthaven zijn. Dat is dan weeral één van de plezante bijkomstigheden van mijn nieuwe broodwinning en een heel verschil met de vorige job toen iedereen Frans diende te praten wanneer er een – juist – Franstalige op de vergadering aanwezig was. Dit geheel ter zijde en als fait divers om u te vertellen waarom het hier heel stil is de laatste tijd.

Niet dat ik het bloggen ga opgeven, verre dan dat, maar eerder omdat het ruimen van de lijken – die steevast uit de kast blijven vallen – best wel wat tijd vragen en ik ’s avonds tot de vaststelling kom dat ik reeds voldoende naar een scherm heb gestaard. Stilaan komt alles echter op zijn poten terecht, doch Rome is niet op één dag gebouwd.

Ergernissen zijn er ook. Ik ben onder meer verantwoordelijk voor de aanvoer van wisselstukken, gespecialiseerde gereedschappen en onderdelen – waarmee we dan, vaneigens, vliegtuigen vliegend houden – en dat brengt ook mee dat er regelmatig vertegenwoordigers van eerder genoemde gerief aan uw deur staan te wachten. En ik koop niet aan de deur. Wanneer ik iets nodig heb zal ik op het internet mijn gading zoeken om de desbetreffende leveranciers tegen elkaar uit te spelen. Zo simpel is dat. Maar rond deze tijd ben ik nét iets milder met die bezoekjes omdat ze me reeds ettelijke flessen wijn hebben opgebracht.

En ik ben geeneens een wijnliefhebber. Ik lust het wel, maar bij het obligate gesprek over drank dat meestal bij zo’n relatiegeschenk gepaard gaat, kan ik niet nalaten om mijn voorkeur voor straffe trappistenbieren ten berde te brengen, in de hoop dat dit in het achterhoofd van de vertegenwoordiger blijft hangen en volgend jaar een sixpack van het goudgele vocht wordt geleverd. Een mens mag af en toe ook profiteren van de situatie, ik heb er hard genoeg voor gewerkt niet?

Afin, ik leef nog, en ik ga binnenkort terug wat beginnen “leven”. Ik beloof het u. En ik ga erover schrijven!

Advertenties

Wochenschau 37

Het leek wel alsof ik over de voorbije week niets zou kunnen schrijven wat ook maar eventjes van de routine zou afwijken. Ze kabbelde voort, die week, en de muze – dat vervelende secreet – die je soms wel eens nodig hebt in blogland was wederom afwezig. Het werd zodus een stuk boeiender, toen ik donderdagnamiddag, bij het huiswaarts keren, te horen kreeg dat men mij op vrijdag wou zien, op de bovenste verdieping, en zonder verdere uitleg. Een vervelende flash back maakte zich meester van me, en ik was meteen aan het bedenken wat ik a) uitgevreten zou hebben of b) en meer waarschijnlijker, op wiens tenen ik getrapt zou hebben door zoals altijd duchtig mijn welgemeende en geargumenteerde goesting te zeggen. Of misschien was het wel zoals de laatste keer, toen ik op de vingers werd getikt omdat niet iedereen, en ik citeer, mijn “wel erg speciale vorm van humor begrijpt”. Cynisme en ironie, het blijft een pijn(lijk)punt voor vele onwetenden in deze maatschappij.

Ik had er dan ook volstrekt niet aan gedacht dat het over mijn overplaatsing zou gaan, waarvan ik vermoedde dat deze ondertussen reeds ergens verticaal geklasseerd was, niettegenstaande ik een tweetal weken geleden een cursus heb gevolgd die me op deze nieuwe afdeling dient voor te bereiden. Awel, ’t is van dattum, en wel meteen, waarover ik me ook sterk verbaasde gezien het woord “inertie” bij ons uitgevonden werd. Ik zit hier dus erg verweesd thuis te zitten met het idee dat de werkdag verre van voorbij is en ik vanavond pas om acht uur dien te beginnen. Een stuk de nacht in. Niet definitief uiteraard, maar toch om alle facetten van het nieuwe werk te leren kennen.

Mijn nieuwe uren zijn voornamelijk van een uur of twee in de namiddag tot een uur of half elf ’s avonds en de weekends mag ik aan anderen laten. Geef nu toe; dat is reeds een stuk beter dan – letterlijk midden in de nacht – op ontiegelijk vroege uren te moeten opstaan. Belangrijker nog is het feit dat ik van mijn ongeleide projectielen en andere sociale gevallen ben verlost en de mensen op deze dienst ietwat meer plichtbewust zijn en over een zeker niveau beschikken. Het zware handwerk, wanneer bovenvermelde projectielen en masse “ziek” waren, en ik er terug aan werd herinnerd dat ook ik een (pijnlijke) onderrug heb, kan bij deze ook naar het departement slechte herinneringen verwezen worden. Mijn getergd geduld kan dus even op de plooi komen. Maar goed, is dit dan wat ik zoek? Beter, dat wel ja, maar ik blijf op vinkenslag zitten. Ooit komt er wel iets uit de bus waar ik de arbeidsvreugd van weleer zal terugvinden. Hier of elders. Nu of later.

Kustartillerie

Ik mag schijnbaar muteren. Niet dat ik dreig om in een bokaaltje sterk water terecht te komen, want daar is het toch te laat voor – mijn bloedalcohol vervult reeds de functie van preservatie – doch eerder het muteren in de zin van “muteren binnen het bedrijf” that is. Enkele verlichte en de-lakens-uitdelende geesten hebben dan toch begrepen dat mijn grijze massa stilaan wegteerde in mijn huidige functie en hebben me daarom voorgesteld om een ander en “ietwat” complexer departement te gaan leiden. Ik heb twee weken bedenktijd, maar ik ben het toch serieus aan het overwegen.

’t Zal onderhand tijd worden me dunkt, gezien de conclusies die ik reeds na twee weken trok, en die simpelweg stelden dat mijn dienst in principe meer mensen en middelen nodig had, wat ondertussen reeds gedeeltelijk gebeurde, en dit uiteraard met alle positieve gevolgen van dien (duh!) Ik diende hiervoor alleen maar maanden aan een stuk te zeuren, te zagen, te jeremiëren en te zaniken, alsook met statistieken, KPI’s en andere cijfers te zwaaien om één en ander, binnen een soms echt wel lethargische organisatie, aan het rollen te brengen.

De positieve gevolgen zijn als volgt: in de nieuwe functie zou ik (haast) geen weekends meer moeten werken, en de vroege ploegen, waarbij ik steevast om halfvijf ’s ochtends (of drie uur ’s ochtends, wanneer ik echt geluk had ) mijne bedstede moest verlaten, worden vervangen door late ploegen tot ergens rond elven ’s avonds. Afin, gezien ik géén ochtendmens ben, is dit toch wel een aanzienlijk verbetering, en af en toe kan ik wel met een en ander schuiven zodat ik indien nodig ook nog eens ’s avonds sociaal kan wezen. Nog positiever is de complexiteit van het werk en het belang van dit departement, alsook het feit dat ik dit keer een 20-tal hogergeschoolden (een vrij ‘jong” departement) dien leiding te geven, in plaats van hetzelfde aantal ongeleide projectielen en kleuters die me nu handenvol werk bezorgen. Van kleuterleider naar schoolmeester dus. Ik maak vooruitgang.

Anyway, ’t zou voor een periode van één jaar zijn, waarin ik “structuur” en “leiderschap” dien te brengen in deze boîte, in afwachting van anders en beter (?) binnen de firma, en wie weet dat er ondertussen nog ergens een deus-ex-machina uit de lucht valt. “Volhardt in uzelf,” zeg ik steeds, en soms lijkt dat wel te werken. Immer vorwärts – weeral – en we komen er uiteindelijk wel. Ondertussen is mijn kustartillerie paraat om de eventuele kapers, die wel eens op de kust durven te verschijnen, naar de verdoemenis te helpen. Ik ga dees echt wel doen denk ik.

Rollator

Vandaag, en waarschijnlijk ook de volgende dagen, kan ik best een rollator gebruiken. Dat komt er van, wanneer ge als dusdanig krenterig zijt op uw personeelsbestand, en ge vervolgens – op dagen dat er iemand ziek is of met vakantie gaat – het sowieso met minder volk moet stellen. Gelukkig zijn er dan de departementshoofden, die hun gewone taken wel zullen combineren met het goede oude handwerk op de vloer. Zo ben ik vandaag sinds kwart na drie (03u15!) op de been en heb ik eigenhandig een paar tonnen vracht versleept – raar genoeg waren we deze keer wél op tijd klaar – om dat de volgende twee dagen te mogen herhalen. Uiteraard hoef ik daarover niet te klagen gezien ik daar dik voor betaald word (kuch). Een ietwat plezantere bijkomstigheid, in het licht van deze bezigheden, blijkt de vaststelling te zijn dat ik vrijdag niet zal moeten werken, waar ik tot nu het idee had dat het de ganse week van dattum zou zijn.

Ik had namelijk gevraagd om mijn geplande vakantie zoveel mogelijk te annuleren, gezien ik deze dagen liever spaar voor een échte vakantie, maar zoals ik reeds eerder vertelde, kon men slechts de laatste week annuleren en zit ik, slechts half tegen mijn goesting, volgende week thuis. Om mijn rug terug recht te krijgen. Maar men was stoemelings vergeten om die vrijdag van deze week, die oorspronkelijk ook gepland stond, nog te annuleren. In feite geen slecht idee dus, gezien ik anders en onvermijdelijk toch zou geconfronteerd worden met een vliegtuig dat voor mijn neus opstijgt met één lege plaats aan boord, en dat zou best wel balen zijn. Balen zeg ik u!

Conclusie: de ganse historie met die impulsief geboekte en al even impulsief geannuleerde reis zit me nog best biezonder hoog, en mijn impulsiviteit kennende zou ik de volgende keer beter opteren voor een flexibel ticket dat ik tenminste kosteloos kan annuleren. Maar eerst nog een paar tonnen vracht versleuren. Arbeid adelt!

Verveling

“Het is goed voor wat het is,” zeg ik dan wanneer ze me vragen hoe het gaat op mijn – ondertussen al niet meer zo nieuwe – job.  De collega’s afdelingshoofden zijn best wel toffe peren (sommigen dan toch) en af en toe krijg ik nog eens een vliegtuig van dichtbij te zien (of toch op een tiental meters afstand).  Ooit haalde ik een diploma in luchtvracht en logistiek, en ik zou haast blij moeten zijn dat ik die voor het eerst in mijn carrière kan gebruiken, ware het niet dat de desbetreffende studie mij toen al matig interesseerde en slechts een lifeline was voor het geval mijn opleiding tot piloot een finaal echec zou worden.

Ik heb dan ook met volharding geprobeerd om dat logistieke dagelijkse brood te vermijden, en tot nu toe was ik er altijd in geslaagd om het min of meer naar mijn zin te hebben in een banen waar ik iedere dag met de vliegtuigen zelve speelde, alhoewel ik uiteraard liever gevlogen had, maar da’s een ander verhaal.  Het valt dus mee, voor wat het is, maar helemaal vrolijk word ik er niet van. Mijn werk is – en ik druk me voorzichtig uit – eerder saai en bezorgt me weinig intellectuele prikkels.  Ik verwachtte ergens wel dat deze baan geen denderende uitdagingen ging bieden, en nog minder denderend zou betalen, maar deze ex-manager is dan ook vrijwillig op deze kar gesprongen, daar ik anders waarschijnlijk nog werkloos zou zijn, nadat ik mijn vorige job – semi vrijwillig  – had verlaten vanwege degoutante politieke spelletjes en regelrechte uitbuiterij van “mijn mannen”.  En om dat soort “mannen” draait het deze keer ook, waar er aan mij gevraagd werd om een stroef draaiende afdeling terug op de rails te krijgen, en waar ik al vrij snel tot de vaststelling kwam dat het “probleem” – uiteraard – aan onderbezetting te wijten is, maar ook aan werkschuwe troglodieten, zowel autochtonen als (net iets meer) dubbelpaspoortigen, en die me het gevoel geven een hedendaagse Diane Fossey te zijn.

Geen grote uitdaging aldus, en de steeds slinkende budgetten, de crisis en een dreigende overname zorgen ervoor dat ik niet meer geloof in de beloftes die aan mij werden gemaakt op de dag dat ik mijn contract tekende. Het zal u dus niets verwonderen dat ik wederom over het muurtje aan het kijken ben naar een baan waarin ik wél die intellectuele prikkel kan terugvinden en me voor één keer niet te pletter verveel.  Voorlopig gaat het nog, maar ik twijfel er sterk aan of het concept “droomjob” in deze duistere tijden nog mogelijk is.

Tenzij een mens het bijvoorbeeld over een zelfstandige boeg zou gooien, doch dilettant zijnde op velerlei gebied (en dit in de betekenis van amateuristische knoeier), is er geen groot zelfstandig ondernemer aan me verloren gegaan.  Alhoewel; ik heb hier nog een zelf geconstrueerd businessplan liggen voor een regionale luchtvaartmaatschappij.  Een uit de hand gelopen en gemuteerde hobby van een aantal jaar geleden, waarin ik al mijn kennis op gebied van bedrijfsvoering en mijn favoriete sector bijeen propte, en dat zelfs als uitvoerbaar werd bevonden door een bedrijf dat investeringen met risicokapitaal aan de werkelijkheid toetst.  Als ge aldus 5 miljoen euro teveel hebt (3.5 is al een goed begin), moet ge maar iets weten te zeggen.  U bezorgt mij een droomjob en u krijgt een plezante investering in de plaats (kuch).

Ik zal maar gewoon wat verder prakkezeren. Hier op ’t werk.  Er is momenteel toch niets anders beschikbaar in mijn sector.  En ’t is de moment niet.   Het kalf van de beer niet verschieten vooraleer moeders porseleinkast verdronken is zekers? Maar ondertussen blijft de verveling. Vaak is dat slopend.  Slopend zeg ik u.

De zak

Ge moet het maar doen. Twaalf stielen en dertien ongelukken, geen enkele relevante ervaring, en zich toch op korte tijd naar de bedrijfstop weten te lullen. Manipuleren en pathologisch liegen was dan wél zijn sterkste kant, en dat helpt uiteraard. Het was nochtans doorzichtig; de opschepperij met de villa, de luxereisjes, de decadent dure wagen en meer van dat fraais. Ook doorzichtig was het dedain voor de werknemers op de vloer, en het veel te grote kantoor op de bovenste verdieping (met balkon en zicht op de werkvloer). Helemaal doorzichtig waren zijn prestaties, waarbij hij zelf feitelijk niets presteerde, anderen het werk liet doen, zelf de pluimen op zijn hoed stak en (veel) te grote commissies opstreek. Hij was bijzonder inventief om het allemaal in een roze strik te verpakken, zodat de aandeelhouders alleen maar konden geloven dat hij een zegen betekent voor de firma en het dus best normaal was dat hij eigenlijk pakken geld kost. Gezien hij dus eigenlijk geen relevante ervaring of kennis bezat – en alleen maar met graaien bezig was – dreigde zijn comfortabele situatie toch in het gedrang te komen, waarna hij (laat ik hem voor het gemak “Floere” noemen) een selectiebureau de opdracht gaf om een tweetal “deskundigen” aan te werven en een en ander terug in goede banen te sturen. Ik was er daar eentje van.

Onnozel zijnde, zag ik mezelf als het prototype van het onkreukbare en idealistische afdelingshoofd. “Winstoptimalisatie”, “Gelukkige werknemers zorgen voor een hogere productie”, “efficiënte beheer van het budget” en andere dwaze oneliners maakten van mij een hemelbestormer van eerste klasse. Ik heb er dus niet lang over gedaan om de nagel aan Floere’s doodskist te worden. Daar ik reeds snel doorhad dat deze kleine bedrijfspsychopaat (dit predicaat is eigenlijk nog teveel eer) andere bedoelingen had dan simpelweg een bedrijf de goeie weg op te helpen, en hij tevens weinig omfloerst aanbood om het spelletje mee te spelen (met vele beloningen in het vooruitzicht), zat er niks anders op dan Floere in het publiek aan te pakken. Confrontatie met naakte cijfers en feiten heet dat dan. Ik heb het namelijk aangedurfd om – gewapend met rapporten en audits allerhande – aan te tonen dat o.a. zijn beleid op langere termijn rampzalig was, dat de werknemers niet alleen overwerkt maar ook diep ongelukkig waren en – o gruwel – ik me afvroeg waarom het, in zijn ogen steeds onbestaande budget, toeliet om een hele boel overbodige luxe elektronica aan te kopen in de winkel van Madam Floere zelve, daar waar er nood was aan extra werktuigen voor gebruik op de vloer. Het leek me klaar als een klontje dat de aandeelhouders op zijn minst gealarmeerd zouden zijn. En geloof me, ik ben diplomatisch geweest.

Achterklap en huichelarij deden de rest. Binnen de kortste keren was Floere, die al zijn “kwaliteiten” in de strijd gooide, er in geslaagd om me af te schilderen al een soortement opruier, een rode intrigant, die godbetert de kant van het “werkvolk” koos (of “klojo’s”, zoals hij ze liefdevol noemde). Invloed hebben is dus ook belangrijk, en die heb ik niet. Ik heb dus, voor de eerste keer in mijn carrière de zak gekregen.

Toch ben ik blij dat ik er weg ben, en heb me voorgenomen om nooit nog in een klein KMO’tje te werken.  Bedrog, regelrechte uitbuiting van het – minder mondige – personeel en infantiele “op-de-borst-klopperij” hangen me danig de keel uit, en mijn inziens is dat eerder terug te vinden in kleinere entiteiten. Want zo leert me de ervaring.  Uiteraard is het “overal wel iets”…

Afin, morgen heb ik een jobinterview bij een (echt) groot bedrijf, en zet ik zelfs een stap terug op de ladder.  Voor mij eventjes geen kaderjob meer.  Misschien moet ik in in de toekomst het spelletje maar meespelen of mezelf gedeisd houden.  Maar heb eigenlijk in geen van beiden zin.  Ik speel het nu eenmaal graag eerlijk en professioneel.  Ben ik nu een Michel Drets?