Teloorgang

geslotenHet was alweer een jaar geleden dat ik de fiets nog eens van onder het stof had gehaald. Toen kwamen we – een aantal kameraden van weleer uit het dorp – op het lumineuze idee om een “staminee-toer” per fiets te organiseren, en dan meer bepaald een ritje langs de adressen waar we als jong geweld de toog onveilig maakten. Gezien we verleden jaar tijdens de zomermaanden afgesproken hadden en als dusdanig voor een aantal cafés met bordje “gesloten wegens jaarlijks verlof” kwamen te staan werd voor de maand juni geopteerd met het idee dat we dan tenminste niet voor gesloten deuren zouden staan.

Het werd, zoals verleden jaar, een tour-de-nostalgie waarbij we hoopten om nog even de sfeer van vroeger te kunnen opsnuiven. De goeie (?) oude tijd waarin we steevast, per fiets of te voet, een aantal kroegen afschuimden, in ons dorp en de parochies daarrond, om pas tegen twaalven – en reeds goed “geladen” – op het eindpunt van de avond aan te komen wat dan meestal een of andere fuif van een jeugdvereniging was, waar je dan vaak geen ingang meer moest betalen.

Het was ons daarentegen – en wellicht uzelve – reeds opgevallen dat meer en meer cafés de deuren sluiten, en dat op nog geen twintig jaar tijd, en zodus wordt het tegenwoordig even zoeken en plannen in functie van de etablissementen die nog open zijn.

Had het te maken met de voetbalmatch van dit weekend? Veel cafés waren gewoonweg gesloten, en in de paar plaatsen waar het licht nog brandde, kon je de stamgasten op de vingers van twee handen tellen. Een waard wist ons te vertellen dat het tegenwoordig niet veel soeps meer is op zaterdagavond en het dus niet specifiek aan het voetbal lag; integendeel, dat was vroeger net een reden om naar de kroeg te versassen. Meer nog, rond elven zijn de deuren meestal gesloten, wegens te weinig volk op de straat. Een zwaar contrast met twintig jaar geleden, toen je op een doorsnee zaterdagavond, ergens ten velde in het centrum van de parochie, meestal drukbeklante cafés trof waar iedereen, van jonge snotneus tot ouwe grijsaard in een gezellige sfeer “op zijn pinten ging”.

Schijnbaar ligt het aan de prijs van het bier, waardoor iedereen thuis drinkt, de rookwet (tja) en de veranderde mentaliteit – laat ik het maar de voortschrijdende individualisering noemen – die maken dat de meeste mensen het dorpscafé links laten liggen. En dat voor een bierland… Misschien moet er maar eerst iets gebeuren aan de bierprijzen, en misschien moet er nog eens een “jaar van het dorp” georganiseerd worden.

Ik vind het alleszins een zorgelijke evolutie, want verliest het dorp zijn ziel niet wanneer het laatste café gesloten is?

Advertenties

Doodsimpel

Volgende week zondag is het processie in mijn geboortedorp.  U kent dat ongetwijfeld wel (uit de geschiedenisboekjes): een folkloristische gebeuren waarin we herinnerd worden aan die tijd toen we nog allemaal verdwaasd waren door religie.  Maar geef nu toe, ’t is plezant om te weten dat men hier nog steeds vasthoudt aan dat soort van tradities.  Folklore zonder meer, om de sociale cohesie te ondersteunen, zonder te vervallen in pilaarbijterij.

Ik heb vroeger uiteraard deelgenomen aan dit jaarlijks wederkerend evenement (ik moest wel).  Als scholiertje, met zo’n onnozel vlagje, als misdienaar (jawel), en vele keren meer als trompettist in de fanfare, waar deze schone traditie een excuus was om de hele zondag pinten te gaan pakken.  Het nuttige aan het aangename paren heet dat dan, en tegelijkertijd hadden we onze jaarlijkse daad van godvruchtigheid (of wat er nog van overbleef) gesteld.

Die laatste keer dat ik aan de dorpsprocessie deelnam herinner ik me als gisteren.  Voor het uitgaan van de processie stonden we, zoals altijd, “warm te drinken” aan de toog van het dorpscafé waar ook het lokaal van de fanfare gevestigd was.  Die ochtend stond ik nog even bij onze trommelslager (die de grosse caisse bespeelt) te praten alvorens naar buiten te gaan om de rangen te vervoegen.  Ik had hem net verzekerd dat ik die keer niet ging blijven plakken omdat ik de volgende dag examen statistiek had.  Soit, een uurtje later kwamen we met de processie aangeslenterd bij een traditionele stop aan een kapel waar wij – als trompetters  – een sonnerie dienden te spelen terwijl de pastoor zijn hokus-pokus deed met de monstrans.  Ik wilde net beginnen spelen wanneer ik – in mijn ooghoek – merkte dat de trommelslager vooroverviel.  Over zijn trom, even met de benen de lucht, om alvorens zonder beweging te blijven liggen.  Totaal verbaasd zie ik onze drummer, die ook ambulancier is, naar het gebeuren spurten alwaar hij met een toegesnelde dokter uit het publiek aan het reanimeren gaat.

Het spreekt voor zich dat we daar stonden als geslagen honden.  Perplex.  Korte tijd later arriveerden de ambulance en de M.U.G. ploeg, waarbij het reanimeren in volle hevigheid verderging.  Ik meen dat ik hem nog één keer heb zien bijkomen, waarbij hij – gedurende een seconde –  met gebalde vuisten en verkrampt gezicht radeloos in het ijle keek alvorens terug weg te zakken.  Een paters uit de processie diende, in een onwezenlijke sfeer, de sacramenten der stervenden toe.  Ik was als dusdanig onder de indruk dat het examen statistiek een dikke buis werd en aanleiding was tot een tweede zit.

Een processie; dat is folklore die nooit verloren mag gaan, maar bij mij roept het steeds diezelfde glasheldere en akelige herinnering op.  Dat was dan de eerste keer dat ik iemand zag sterven.  En ik hoop de laatste keer.

Stiff Upper Lip

Het valt best mee om eventjes terug in mijn dorp te wonen.  Ik blijf niet, da’s zo klaar als pompwater, maar maak er ondertussen het beste van.  Over dorpen gesproken: er is al veel gezegd en geschreven over “dorpsmentaliteit”, en dan zeker door diegenen die er niet (meer) willen wonen.  Ieder zijn meug uiteraard, en we hebben allemaal wel redenen om al dan niet voor dorp of stad te kiezen.

Stugheid en wantrouwen worden vaak genoemd, doch bij ons valt dat allemaal best mee.  Ik ben – als verloren zoon – alleszins prima ingehaald.  Ook al weet men dat ik zo gauw mogelijk terug naar de stad verhuis.  Waar ik het moeilijker mee heb is de typische, “vooroorlogse” emotieloze opvoeding die velen onder ons gekregen hebben.  Uiteraard ingegeven door het aloude katholieke schuldgevoel, en naar mijn aanvoelen nog dominanter aanwezig op het platteland dan in de stad.

Een volledige bloemlezing ga ik hier niet geven, maar volgende dooddoeners schieten me spontaan te binnen: “ledigheid is des duivels oorkussen” en emoties en affectie tonen is not done, tenzij dan voor wussies.  Zelf heb ik er iets minder mee te maken gehad, maar zelfs bepaalde exemplaren uit mijn familie hebben nog dergelijke “programmering” ondergaan. Minder doorgedreven maar toch.   Niet dat het gevoelloze wezens zijn, verre van, maar je merkt dat ze het nog steeds moeilijk hebben met emoties.  Zeker naar buiten toe.

Alla, neem nu die kerel die iedere week stomdronken op café zit.  Een brave gast, altijd geweest, maar tegenwoordig zit hij enkel nog zijn scheiding te verzuipen, en niettegenstaande het reeds een jaar geleden is, raakt hij er maar niet over.  De anderen staan er bij en kijken er naar.  Hulpeloos en gegeneerd.  Je  zag ze zo denken: “zomaar huilen op café, en dan nog bezopen ook, dat doe je toch niet?”

In een zeldzame vlaag van filantropie heb ik dan maar eens een praatje gemaakt met the poor guy, nadat ik er eerst een halve liter koffie had ingegoten.   Ik probeerde om voorzichtig aan te brengen dat hij zich misschien moet laten helpen.   “Een psycholoog”, zei ik, “om er niet helemaal onderdoor te gaan”.

“Misschien moet ik dat dan maar doen”, antwoordde hij.  “Maar wat gaan de mensen daar van denken?”

Wat gaan de mensen daar van denken?  Dju toch!  Dàt soort van dorpsmentaliteit kan me gestolen worden.  Zeker wanneer die steeds-schande-sprekende-mensen zelf gigantische balken in beide ogen hebben.

Van oude punks en dorpscafés

Een der plezante bijkomstigheden van het  tijdelijk wonen bij pa en ma – tijdelijk , ik kan het “tijdelijk” niet genoeg benadrukken – in dat oude vertrouwde dorp, zijn mijn wekelijkse bezoeken aan het dorpscafé.   Een écht dorpscafé, inclusief bejaarde waardin, sanseveria’s, radio 2 op de achtergrond en dat alles verlicht met helle witte neonbuizen.  En dat mijn oude dorpsgenoten niet onderhevig zijn aan het typische “dorpse” gedrag.  Geen vervelende vragen waarom ik nu opeens weer opduik, geen achterdochtigheid,  geen onnozele opmerkingen over “stadsmensen”, neen, ik word aanvaard alsof ik nooit ergens anders gewoond heb en nog steeds een van de hunnen ben.  Vertrouwd en gemoedelijk dus.

Ik ben een liefhebber van een ontspannende keuvel tussen pot en pint, maar in tegenstelling tot de meeste van de brave mensen aldaar aanwezig, wil het bij mij niet echt lukken met de typische – mannelijke (?) – gespreksonderwerpen.  Alhoewel me dat ook in  de bruine kroegen van de stad overkwam.  Voetbal?  Bah, panem et circenses voor het vulgus.  Wielrennen?  Auto’s?  (Waar staat mijn vélo alweer?)  Vandaar dat ik de meestal – licht alternatievere –  tooghangers uitzoek om het nog ‘ns te hebben over muziek, boeken en ander nerdish gedoe.  Die alternatievere tooghangers dien ik hier niet te zoeken, maar in het café van het volgende dorp  hangen daarentegen nog een paar verloren gelopen punks rond.  Echte punks gedomme!  Ondertussen bijna grootvader, maar nog steeds  met hun leren jekker uit de jaren zeventig, combats (godbetert!) en een t-shirt van “The Clash”.  Maar da’s voor na tienen, wanneer de waardin van mijn dorpscafé ons vriendelijk toeroept: “Als gijle godverdommesse zatlappen denkt dat ge hier tot een kot in de nacht gaat blijven plakken, dan zal’t hier rap gedaan zijn!  Allemaal naar buiten, of moet ik mijn borstel gaan halen?”

Heerlijk is dat!  Op naar de punks!