Eén jaar later

Eén lange paniekaanval van 45 minuten was het, eentje die varieerde van een 5 (op tien) tot een 7, en dat was al een hele tijd geleden. Het was dan ook het jaargetijde van mijn vader, en niettegenstaande deze atheïst geen nood heeft aan rituelen ter zingeving, kan ik mijn moeder alleen maar een groot plezier doen door een ouderwetse zondagsviering in onze dorpskerk uit te zitten.

Het is dus zeker niet omdat ik die bittere gebeurtenis een plaats gegeven heb; integendeel zelfs, ik denk er nog ieder dag aan, meermaals per dag zelfs, en ik kan u verzekeren dat het nog dik aan de ribben plakt. Ik zie nog steeds de lijkzak die dichtgeritst wordt, die laatste glimp van het gezicht van mijn vader, en mijn moeder die als een hoopje radeloze ellende op een stoel zit. Ik herinner me nog steeds dat ik in shock was, en toch stantepede op “emergency-mode” overschakelde om toch maar in staat te zijn om mijn moeder door die eerste verschrikkelijke weken te loodsen. Ik herinner me dat ik tegelijkertijd tot over mijn oren verliefd was, dat zeer tegenstrijdig was, en ik het zonder de dame in kwestie nooit had kunnen volhouden en waarvoor ik haar – zelfs al horen we ondertussen niets meer van elkaar – tot in de eeuwigheid dankbaar zal zijn. Dat alles speelde vandaag door mijn hoofd, behalve dan wanneer ik de demonen van mijn paniekaanvallen te lijf ging door het stilletjes uit te zweten. Mettertijd zal ik het wel een plaats kunnen geven, maar daar is het nog even te vroeg voor. Het is godbetert exact één jaar geleden.

Raar genoeg dacht ik ook aan een uitspraak van mijn vader, een paar weken voor zijn dood, toen hij tegen mijn moeder plots zei dat hij dacht “dat er niks was na de dood”. Ik schrok wel even, gezien mijn ouders nog tot de generatie behoren die een zeemzoeterig en haast kinderlijk geloof belijden, waar de hemel en een leven na de dood, inclusief het “weerzien van de afgestorvenen” tot de vaste waarden horen. Had hij toen een voorgevoel? Het trof me dan ook toen de weduwe van mijn vaders beste vriend vandaag mijn moeder, toen ze het even moeilijk had, troostte door te zeggen dat “die twee hierboven al lachend met de kaarten spelen zoals vroeger en we ons dus niet al teveel zorgen moesten maken”.

Awel, ik wou dat het waar was.

Advertenties

Naweeën

Ik heb het me wel eens afgevraagd, die keren dat ik zelf uitgenodigd werd op de koffietafel na een begrafenis, hoe die mensen, die rechtstreekse nabestaanden, vaak hoopjes ellende met roodbekreten ogen, zich voelen bij het verlies van een dierbare.  Ook ik had – op een kwaad moment met duistere gedachten – wel eens geopperd dat ik in dat geval waarschijnlijk zou instorten.  Grenzeloze ontsteltenis en paniek zou mijn deel zou zijn.

Dat is dan wel even – en tot mijn grote verbazing – anders uitgedraaid.  Na de initiële schok ben ik in een soort van “emergency mode”  terechtgekomen, en onmiddellijk kweet ik mezelf van de taken die van me verwacht werden.  In de eerste plaats om mijn moeder door haar ontreddering te helpen, en in de tweede plaats om het heft in handen te nemen en de voorbereidingen in verband met begrafenis en nalatenschap op een zo goed mogelijke manier te regelen, daar ik er vanuit ging dat ik als enige nog klaar genoeg van geest was, wat trouwens niet ver naast de waarheid lag.

Als een dolleman, en vierklauwens van hot naar her spurtend, had ik aldus een bijzonder zware week voor de boeg, waarvan u zich al dan niet kan voorstellen hoe zwaar dit op een mens kan wegen, maar die ik haast op automatische piloot heb afgerond.  De begrafenis zelve boezemde me een enorme angst in, niet alleen vanwege het feit dat ik mijn eigen vader ten grave droeg, maar ook door de angst voor alles verlammende paniekaanvallen, waar ik raar genoeg maar weinig last van heb gehad.  Eindelijk gerust (?) op de koffietafel, en de geleden miserie en spanning voor een stuk doorspoelen.  Zo simpel zat het voor mij op dat moment in elkaar.

Ik vraag me soms wel eens af waar dat ontredderend verdriet dan blijft, gezien het, tot nu toe, eigenlijk wel gaat.  Ondertussen ben ik terug aan de slag, heb al hier en daar wat verder gewerkt aan mijn appartement, en mijn vriendin en ik zetten op een zo normaal mogelijk manier onze – nog prille – relatie verder.  Want het leven gaat verder én moet verdergaan, en ervaringsdeskundigen vertellen me dat ze hetzelfde hebben meegemaakt en het rouwproces wel wat verder, met horten en stoten, de kop zal opsteken.  Het zij zo.  Ook mijn moeder trekt zich, de ene dag al wat beter dan de andere, door het proces van aanvaarding en berusting, en probeert de draad zo goed en zo kwaad mogelijk op te nemen.  Enorm kloek vind ik dat, en misschien ook de beste manier, daar het absoluut geen zin heeft om het hoofd te laten zakken, en het beter is om dat ontiegelijk grote verdriet stilaan een plaats in het leven te geven.

Waar ik ook door getroffen ben, is de solidariteit en het enorme en gemeende medeleven alhier in het dorp, dat er tevens voor zorgt dat mijn moeder zich nooit alleen dient te voelen, en ze zich gesteund kan voelen door de tientallen weduwen die hier haast een zelfhulpgroep vormen.  In tijd van nood kent men aldus zijn vrienden, en ik kan me maar gelukkig prijzen dat ze niet alleen in de stad woont.  Zo kwaad is het hier dus nog niet, en ik kan alleen maar vaststellen dat mijn band met het dorp er alleen maar sterker op geworden is, niettegenstaande ik verleden zomer, in een toestand van werkeloze frustratie,  dit dorp meermaals verwenst heb, en ik nu in alle nederigheid slechts kan vaststellen dat dit soort van sterke banden een onbetwistbare rijkdom zijn. Van waardevolle banden gesproken: mijn vriendin, waar de relatie nog heel pril mee was, heeft mij –  onmiddellijk en zonder blikken of blozen – de nodige steun en een klankbord gegeven, en het is voor een groot stuk dankzij haar dat ik deze periode niet al té geschonden ben doorgekomen.  Velen zouden gewoonweg niet weten hoe ze zich tegenover het kersverse lief en dit verlies, van een man die ze tenslotte niet gekend hebben, zouden moeten gedragen.  Mijn vriendin stond er echter voor me, alsof ze er reeds tientallen jaren voor me was.  Hartverwarmend vind ik dat (understatement), en mijn genegenheid voor haar is er alleen maar groter op geworden.  Het moet dus niet altijd kommer en kwel zijn; integendeel zelfs!

Enige weerzin is hier ook op zijn plaats, waar ik vaststelde dat de staat, onder het mom van successierechten, de mensen in al hun miserie nogmaals belast op zaken die reeds belast zijn geweest, en aldus aan gelegaliseerde lijkenpikkerij van staatswege doet.  Mijn weerzin voor het establishment zal er alleen maar groter op worden.

Ik zet aldus mijn weg verder, neem de dag zoals hij komt, en kan u alleen maar meegeven dat een mens, na het meemaken van dit soort rampen, opnieuw leert om de zaken te relativeren.   Waar maken we ons nog druk om?  Pluk de dag.  Of probeer het op zijn minst.  Morgen kan de laatste zijn…