Van oude punks en dorpscafés

Een der plezante bijkomstigheden van het  tijdelijk wonen bij pa en ma – tijdelijk , ik kan het “tijdelijk” niet genoeg benadrukken – in dat oude vertrouwde dorp, zijn mijn wekelijkse bezoeken aan het dorpscafé.   Een écht dorpscafé, inclusief bejaarde waardin, sanseveria’s, radio 2 op de achtergrond en dat alles verlicht met helle witte neonbuizen.  En dat mijn oude dorpsgenoten niet onderhevig zijn aan het typische “dorpse” gedrag.  Geen vervelende vragen waarom ik nu opeens weer opduik, geen achterdochtigheid,  geen onnozele opmerkingen over “stadsmensen”, neen, ik word aanvaard alsof ik nooit ergens anders gewoond heb en nog steeds een van de hunnen ben.  Vertrouwd en gemoedelijk dus.

Ik ben een liefhebber van een ontspannende keuvel tussen pot en pint, maar in tegenstelling tot de meeste van de brave mensen aldaar aanwezig, wil het bij mij niet echt lukken met de typische – mannelijke (?) – gespreksonderwerpen.  Alhoewel me dat ook in  de bruine kroegen van de stad overkwam.  Voetbal?  Bah, panem et circenses voor het vulgus.  Wielrennen?  Auto’s?  (Waar staat mijn vélo alweer?)  Vandaar dat ik de meestal – licht alternatievere –  tooghangers uitzoek om het nog ‘ns te hebben over muziek, boeken en ander nerdish gedoe.  Die alternatievere tooghangers dien ik hier niet te zoeken, maar in het café van het volgende dorp  hangen daarentegen nog een paar verloren gelopen punks rond.  Echte punks gedomme!  Ondertussen bijna grootvader, maar nog steeds  met hun leren jekker uit de jaren zeventig, combats (godbetert!) en een t-shirt van “The Clash”.  Maar da’s voor na tienen, wanneer de waardin van mijn dorpscafé ons vriendelijk toeroept: “Als gijle godverdommesse zatlappen denkt dat ge hier tot een kot in de nacht gaat blijven plakken, dan zal’t hier rap gedaan zijn!  Allemaal naar buiten, of moet ik mijn borstel gaan halen?”

Heerlijk is dat!  Op naar de punks!