Sentimenteel

Ik ben al een tijdje hervallen met roken. Ik weet het, ik ga zo vlug mogelijk terug stoppen Ik kan het. Maar daar gaat het hier niet over. Wanneer u zelf een roker bent (of bent geweest) dan kent u maar al te goed het paniekerige gevoel wanneer u tot de vaststelling komt dat uw pakje bijna leeg is. Vooral dan wanneer u aan het werk bent, en zoals in mijn geval, de rookpauzes toch enig soelaas bieden om de dag door te komen. Gelukkig is er dan het nabije tankstation om de demon der verslaving te vreten te geven.

Ze was me reeds eerder opgevallen, de ietwat kleurloze en apathisch kijkende gerante, die vanachter het kogelvrije glas, zwijgend het gevraagde rookwaar afrekent, en met een glazige blik in de verte staart. Je zou voor minder, wanneer je de hele dag opgesloten zit in een aquarium, en geconfronteerd wordt met norse truckchauffeurs die hun mazout komen afrekenen, en onnozelaars die slechts voor hun – nog onnozeler – pakje sigaretten langskomen. Malchance gehad in het leven, en zich nu de hele dag afvragend waar het verkeerd gelopen is, terwijl ze deze hondenbaan hard nodig heeft om haar arme bloedjes van kinderen op te voeden nadat haar vent ging lopen met een jongere vrouw. De eerste keer leek ze het niet te horen toen ik vriendelijk glimlachend “goeiemorgen” en “bedankt, tot ziens” zei, en bediende ze me met een nietszeggende blik. Ondertussen merk ik ook een glimlach op haar gegroefde gezicht, wanneer ik het tankstation binnenkom, en beeld ik me in dat dit klein beetje aandacht – in de vorm van beleefdheidsformules – haar dag maakt, en een welkome aflossing is op de norse smoelwerken van de truckchauffeurs.

Dat denk ik dan allemaal bij mezelf in een sentimentele bui.

Daarentegen zou het ook kunnen dat de vrouw in kwestie, doorzopen en doorrookt, en vandaar het gegroefde gezicht van een vrouw van achtenvijftig heeft terwijl ze in werkelijkheid drieënveertig is, de ganse dag haar broek zit te schuren omdat ze niet alleen enorm lui is, maar geen andere job kon vinden nadat ze een gevangenisstraf van twintig jaar uitzat wegens de moord op haar wederhelft. Terwijl ze dan met een glazige blik in de verte tuurt, contempleert ze vooral over haar nietsnutten van drugsverslaafde kinderen, tenzij ze weeral een nieuwe bankoverval aan het beramen is. De truckchauffeurs, die de waarheid kennen, zijn niet nors maar eerder angstig, en reageren aldus erg terughoudend om niet in de problemen te raken, en ze weten maar al te goed dat het kogelvrije glas niet dient om haar te beschermen, maar al diegenen die in het hok binnenstappen. Want je kan niet zien dat ze eigenlijk, en maar goed ook, aan een ketting is vastgeklonken. Ze glimlacht, maar dan enkel en alleen omdat ze, uit mijn zicht, een mes aan het wetten is.

Dat zou uiteraard ook kunnen, en op zo’n momenten speelt mijn inbeeldingsvermogen me kennelijk parten. Laat ik dan maar liever in die sentimentele bui blijven hangen niet?

Als de rook om je hoofd is verdwenen

Gezien ik tegenwoordig tijd op overschot heb (een understatement) en de trofee van meest tamme zak niet tot familiebezit wil maken, ben ik sinds een tijdje terug bezig met iets wat – naargelang de goesting – het midden houdt tussen hardlopen en joggen.  Niettegenstaande ze bij ons in de familie genetisch zeer geschikt zijn tot sporten, heb ik hier steeds een grondige afkeer van gehad.  Mijn afkeer heeft me daarentegen niet tegengehouden om de laatste 10 jaar met wisselend succes de loopschoenen aan te binden.    De conditie liet immers te wensen over, en mijn natuurlijke aanleg tot enig zelfdestructief gedrag maakt dat ik mij vaak schuldig voelde omwille van de veelvuldige roofbouw op mijn corpus.  Ik ben geenszins een workaholic, maar  mijn gedrevenheid maakt dat ik zelfs plezier vind in enorm stresserende beroepsbezigheden en dan liefst in de meest onmogelijke shiften.  Voelen dat ik leef quoi (of zoiets).  Voeg daarbij mijn voorkeur tot nachtraverij en u kan begrijpen dat mijn oprispingen van sportiviteit best wel heilzaam zijn.

De heuvels van het mythische Zoniënwoud beloven steeds een stevige training, en op dit moment ben ik in staat om de 10 kilometer zo rond het uur af te malen.  Dit na veelvuldig forceren, verzuurde spieren, één keer op mijn b*kkes vallen en –  vooral dan in het begin – mottig worden van de inspanning.  Overdrijven is dus nooit goed (doch één mijner favoriete hobby’s), en alras besloot ik om de aloude loopschema’s boven te halen.  Sinds gisteren is daar nog een hartslagmeter bijgekomen, daar mijn goede oude moeder vreest dat ik een dezer nog eens dood ga vallen (de halte van tram 4 begint stilaan in zicht te komen).  Afin, omdat ik dan toch mijn doemp ingehouden heb, en ondertussen op een verantwoorde manier aan het trainen ben kan ik u verzekeren dat de conditie en het algemeen welvoelen (happy joy joy!) best wel snor zitten.  En nog snorrer mogen zitten.  Ik hoop het deze keer voorgoed vol te houden.

Dat brengt me dan weeral bij een ander voornemen (die ik niet enkel en alleen voor Nieuwjaar bewaar): tijdens het lopen laat een mens de gedachten steeds de vrije loop, en nadat ik op die wijze een oplossing tracht te zoeken voor de courante wereldproblemen, kom ik dan steevast tot de vaststelling dat mijn sigaretten bijna op zijn.  Het is dan ook een onnozel zicht om in uw bezwete sporttenue het eerste het beste gazettenkot in te duiken om een pakske saffen te kopen.  Gezien ik a) goed bezig ben, en b) al een paar jaar aan het stoppen ben met roken, zal ik (waarschijnlijk) dit jaar nog een halt toeroepen aan dit tijdverdrijf.   Het aanstaande rookverbod voor cafés (waar ik trouwens geheel voor te vinden ben) zal hier waarschijnlijk een stevige hand toesteken.  Waar ik minder voor te vinden ben is de regelneverij en het opgestoken vingertje van de verzuurde medemens, die er slechts voor zorgt dat de non-conformist en misantroop in mezelf een grote aandrang voelt om nog grotere wolken rook te produceren.  Maar dat is uiteraard een andere discussie.  Het gaat ervan komen dit jaar, en deze keer zal ik het ook volhouden.  Ik voel het in mijn knoken longen.  Ik ben immers goed bezig!