De kleren maken de man

Ooit was ik – via een toogkameraad die in theater- en filmbusiness werkte – ingeschreven in een castingbureau. Ik heb vroeger wel wat toneel gespeeld, en het leek aldus een goed idee om wat geld bij te verdienen als achtergrondopvulling, doch wegens gebrek aan tijd – ik had ’t kunnen weten – is het nooit verder gekomen dan wat screentests en een paar kleine schnabbels in bedrijfsfilmpjes. 

Er is aan mij geen carrière als acteur verloren gegaan, niettegenstaande ik als snotneus als eens gefigureerd had in “De Leeuw van Vlaanderen” van Claus, ergens in de verre jaren tachtig. Verleden jaar nog, had ik me – via via – kandidaat gesteld om decor te spelen in “Parade’s End” omdat historische filmprojecten me wel interesseren, doch ook dat liep weeral stuk op onverenigbaarheden met mijn agenda. Groot was dan ook mijn verbazing toen ik verleden week werd opgebeld om stante pede te komen opdraven in wat wel eens een “echte grote film” zou kunnen zijn. Ik ga bewust vaag wezen, gezien ik niet weet wat ik al dan niet van de film mag vertellen, tenzij dan dat het een verfilming van een jeugdboek (?) betreft, welk zich afspeelt tijdens de Tweede Wereldoorlog, en ik schijnbaar perfect gecasted kon worden als slecht karakter.

Het is eens wat anders dan godganse dagen vliegtuigen in de lucht proberen te houden, dus die ochtend stond ik op de filmset in een klein authentiek Waals dorpje dat moet doubleren voor een Limburgs dorp in oorlogstijd. De fake gevels die de laatste stukjes moderniteit uit het dorp dienen weg te wissen zijn op zijn minst indrukwekkend te noemen, en het drukke internationale sfeertje van deze Benelux coproductie maakte dat ik me toch niet helemaal op mijn gemak voelde. Een mens doet dit nu eenmaal niet iedere dag, tenzij dan de “collega-figuranten” die het allemaal heel erg gewoon vonden en klaarblijkelijk over zeeën van tijd beschikken daar ze in zowat elke productie van de laatste jaren hebben meegedraaid.

Het initiële ongemak werd er niet beter op, toen ik begrepen had dat ik diende te figureren aan de zijde van één van de “echte” acteurs en ik zelfs in volle glorie in beeld diende te komen, doch een aantal takes verder leek het allemaal natuurlijk te komen. Wat wil je, indien je dezelfde scène, omwille van de verschillende camerastandpunten elvendertig keer dient te herhalen, dan worden zelfs de woorden “geluid”, “rolling” en “actie” haast alledaags.

Maar u zal zich misschien afvragen in welke hoedanigheid ik diende op te draven. Laat ik stellen dat ik blij ben dat mijn grootmoeder dit niet meer hoeft mee te maken. Bij deze een foto, in vol ornaat (weliswaar onherkenbaar gemaakt; ik hou het hier graag quasi anoniem) en u begrijpt meteen waarom ik me zorgen maak om grootmoeder zaliger en het spreekwoordelijke omkeren in het graf.

Verbazend hoe zo’n uniform (Hugo Boss weet er meer van) zeventig jaar na dato nog zo’n emoties kan oproepen. Twee oude besjes, bewoonsters van het dorp, en jong geweest in de Tweede Wereldoorlog, kregen bijna een navelverzakking toen ik plots, met twee Duitse soldaten, om de hoek kwam. Zelfs toen ik de kantine binnenkwam, waar enkel mensen zaten die de oorlog kennen van horen zeggen, werd het opeens een stuk stiller en kijken ze je met grote ogen aan. Raar ook, hoe zo’n uniform haast onbewust de neiging geeft om kaarsrecht en met ijskoude blik rond te lopen. Weird. Of misschien moet ik in dit geval “merkwürdig” zeggen. Ergens vond ik het zelfs iets hebben, en nadat ik mijn beste fratsen had bovengehaald wilde al het vrouwvolk met mij op de foto. Waarschijnlijk wordt al hun haar afgeschoren.

Afin, het ziet er naar uit dat dit niet de laatste keer is dat ik het uniform van “Sturmbannführer” draag; volgende vrijdag ben ik present bij de nachtopnames, alwaar we een “razzia” zullen uitvoeren. Ik ben benieuwd naar het eindresultaat. Mijn grootmoeder zal wel weten dat ik het enkel om de “kunst” deed 🙂

Spitfire!

Voor een liefhebber van docu’s die ge hier toch nooit op de tv te zien krijgt is er gelukkig nog youtube, en vooraleer ik u dreig lastig te vallen met lyrische ontboezemingen over vliegtuigen – alwaar de onderstaande docu over gaat – en waar andere mensen toch geen lor aan hebben, kan ik u wel vertellen dat dit filmpje écht wel de moeite is.

’t Gaat over de Spitfire, en meer bepaald de piloten die in de Battle of Britain vlogen. Een dikke tien jaar geleden werd er een fijne documentaire gedraaid over die jonge helden van weleer, die na een (veel) te korte basisopleiding het gevecht werden ingestuurd. Velen sneuvelden, anderen konden het gelukkig navertellen en allen leverden grootse daden. Volgende clip laat – de ondertussen spijtig genoeg overleden – Pete Brothers zien, terwijl hij meer dan een halve eeuw na dato terug aan de stuurknuppel van “zijn” Spitfire zit.

“It feels just the way they used to feel,” zegt hij, en vliegt het toestel alsof hij nooit anders bleef doen. Na een kort “I have controls”, voert de oude knar een “victory roll” uit.

Dat doet mij iets.