Uitwaaien

Daar ik een hekel heb aan alleen reizen, en de wandelvakantie in de nationale parken van The Queen ondertussen al lang geannuleerd is, hoef ik aldus niet meer te oefenen door ieder weekend stevige wandelingen te maken. Maar ik blijf verder wandelen gezien ik reeds jaren een gepassioneerd wandelaar en natuurmens ben, en ik het nog steeds dé ideale combinatie vind van sport en lokaal toerisme. Zo was ik vandaag in de Doode Bemde in Neerijse, waar het trouwens bruist van het leven, en met het goeie weer van vandaag een echte aanrader is, niettegenstaande er op zondag steevast teveel “slenteraars” zijn die me soms danig op de zenuwen werken.

Ronduit deugdelijk, gezien een prakkezeerder zoals ik soms teveel prakkezeert zodat al dat geprakkezeer tegen de vier muren van mijn appartement begint te botsen en ik even nood heb aan wijdse verten, liefst in combinatie met een fris briesje om de boel eens flink te laten uitwaaien. Het is trouwens geen toeval dat ik de laatste tijd vaker en vaker terug naar mijn streek – het zuidelijk Dijleland – afzak, gezien die plaats, raar genoeg, me toch een soort van gemoedsrust kan geven die ik nergens anders kan vinden. Is het een soort van melancholie die me naar ginder terugroept? Ben ik eindelijk wat bedaarder aan het worden? Ik ben er eigenlijk nog niet helemaal uit.

Ik weet daarentegen wel dat ik de laatste zes maanden stilaan veranderd ben. Vele dingen die me vroeger belangrijk leken zijn dat opeens niet meer, en ik heb geleerd om een heleboel zaken te relativeren, zeker sinds de dood van mijn vader, welke me deed beseffen dat we ons soms onnodig druk maken over zaken die eigenlijk onnozele pietluttigheden zijn. Tevens heb ik meer en meer nood aan een referentiekader waar ik mezelf in kan herkennen, en ik denk dat ik nét iets teveel rondgezworven heb en nét iets te hard heb geleefd zodat ik nu op een punt ben gekomen waar ik van overal en nergens ben. Het verwondert me dus niets, dat ik de laatste tijd veel rondhang in die streek en die dorpen die ik vroeger vaak – en ten onrechte – aanzag als oorden van kleingeestigheid, maar waar ik nog steeds word begroet alsof ik nooit ben weggeweest en de mensen me welgemeend vragen of ik ooit nog eens terugkom.

Ofschoon ik in een gezellige centrumstad woon – waar ik graag woon – wordt het me hier vaak ook duidelijk dat dit wellicht ook een tussenstap zal zijn. De plaatselijke kennissenkring – afin, de cafématen – begint door allerhande omstandigheden uit elkaar te vallen, waar de grootste oorzaak trouwen en samenwonen is (ze mogen hoor), en het dus vaker regel dan uitzondering is dat ik tot de vaststelling kom dat ik een hele vrijdagavond en -nacht doorbracht in de stad zonder een bekend gezicht te zien, en dan heb ik het alleen nog maar over het vertier, en niet over die andere momenten waar ge tot de vaststelling komt dat ge driekwart van de tijd alleen aan het schilderen zijt. Best wel balen dus, niettegenstaande deze hypergeïndividualiseerde samenleving wil dat ge een “happy single” zijt (stelletje zeveraars…). Afin, het stond al langer vast. Ik ga terug, daar waar ik God en klein pierke ken, van zodra het enigszins mogelijk zou zijn weliswaar.

Ik denk dat ik eindelijk groot geworden ben. Of misschien ben ik steeds –  zonder het zelf te weten – een sentimentele countryboy gebleven?  Ik zal het u weten te zeggen.

Klater, klater, meander, meander

Vandaag is het de laatste dag – de laatste zeg ik u! – van den indiaanse zomer, en gezien ik vandaag, en voor de verandering, geen dirty dozen moest aanvuren om zo snel mogelijk een vliegmachien vol te laden, heb ik er dan ook van geprofiteerd om dat laatste beetje warme stralen van het daggesternte mee te pikken.  Met wandelen godbetert, alhoewel ik hier niet al te veel moet godbeteren gezien wandelen al jaren een straffe hobby van ondergetekende geworden is.  Neen, niet het soort wandelen zoals beoefend door die fanatieke en sektarische oudjes, die heftig zwaaiend met hun nordic walking poles de veldwegen hier ten lande onveilig maken, zonder een fuck om het mooie landschap te geven, maar des te meer om de obsessieve stempel op hun wandelkaart en de bruine Leffe achteraf, doch eerder het solo wandelen of maximum met twee, en dan bij voorkeur in het midden van de week wanneer ge amper ambetante mensen en hun loslopende honden kunt tegenkomen.

Daar ik vroeger de trofee van “meest tamme zak” tot familiebezit gemaakt had, heeft het een tijdje geduurd vooraleer ik terug warm gemaakt kon worden voor het vreten van kilometers, gezien me dat vooral deed terugdenken aan de rugzak en de jaren bij de KSA, waar vooral de zere voeten achteraf me het meeste waren bijgebleven.  Een nogal dominante ex die geen zittend gat had, en een amourette met een managster van een bekend merk van outdoorkledij en dito schoenen – die me een paar dure maar goeie wandelschoenen aan een prikje opleverden – deden de rest.  Met volle goesting dan nog wel.  Kris kras door Vlaanderen of zelfs iets verder.  Te beginnen bij een kilometer of tien-vijftien en liefst wat meer, en eindigend in een of ander plaatselijk etablissement (de simpelste boerencafés eerst) om aldus een stukske couleur locale op te snuiven.  Antropologie en plaatselijk toerisme in de achtertuin dus.   Ik heb mijn roeping gevonden.

Gezien ik tot voor kort – en ferm tegen mijn zin – tot het leger der werkelozen behoorde, had ik zodus zeeën van tijd, en heb ik zowat alle wandelroutes van het Dijleland in mijn eentje afgemaald, om vandaag nog zo eentje in het kort te herhalen omdat ze niet alleen dichtbij ligt maar bovendien bijzonder mooi is.  Een beetje zelfstoef maakt dat ik niet anders kan stellen dan dat we hier in een ferme schone streek wonen, en de wandeling door het bos langs het kleine riviertje (ge kent dat “klater, klater, meander, meander” en vandaar ook de onnozele titel van dit stuk omdat ik er geen andere kon bedenken) maakt eens mens zijn dag goed.  En tot mijn vreugde ben ik geen levende ziel tegengekomen, zodat ik lustig een monoloog in mezelf kon voeren.  Niet luidop natuurlijk, want ge weet nooit wie er in het volgende bosje zit om u uit te lachen.  Maar bon, mijn dag was goed en ik wandel graag.  En nu weet ge dat ook.

Minder was dan de dakgoot die ik vandaag nog geschilderd heb, kwestie van mijn kost en inwoon te vergoeden, en als ex-beroepspiloot en valschermspringer heb ik uiteraard ferm last van hoogtevrees.  Maar “schilder, schilder, vrees, vrees” ware een nog onnozeler titel voor deze blogpost geweest.  Niet?