Als de rook om je hoofd is verdwenen

Gezien ik tegenwoordig tijd op overschot heb (een understatement) en de trofee van meest tamme zak niet tot familiebezit wil maken, ben ik sinds een tijdje terug bezig met iets wat – naargelang de goesting – het midden houdt tussen hardlopen en joggen.  Niettegenstaande ze bij ons in de familie genetisch zeer geschikt zijn tot sporten, heb ik hier steeds een grondige afkeer van gehad.  Mijn afkeer heeft me daarentegen niet tegengehouden om de laatste 10 jaar met wisselend succes de loopschoenen aan te binden.    De conditie liet immers te wensen over, en mijn natuurlijke aanleg tot enig zelfdestructief gedrag maakt dat ik mij vaak schuldig voelde omwille van de veelvuldige roofbouw op mijn corpus.  Ik ben geenszins een workaholic, maar  mijn gedrevenheid maakt dat ik zelfs plezier vind in enorm stresserende beroepsbezigheden en dan liefst in de meest onmogelijke shiften.  Voelen dat ik leef quoi (of zoiets).  Voeg daarbij mijn voorkeur tot nachtraverij en u kan begrijpen dat mijn oprispingen van sportiviteit best wel heilzaam zijn.

De heuvels van het mythische Zoniënwoud beloven steeds een stevige training, en op dit moment ben ik in staat om de 10 kilometer zo rond het uur af te malen.  Dit na veelvuldig forceren, verzuurde spieren, één keer op mijn b*kkes vallen en –  vooral dan in het begin – mottig worden van de inspanning.  Overdrijven is dus nooit goed (doch één mijner favoriete hobby’s), en alras besloot ik om de aloude loopschema’s boven te halen.  Sinds gisteren is daar nog een hartslagmeter bijgekomen, daar mijn goede oude moeder vreest dat ik een dezer nog eens dood ga vallen (de halte van tram 4 begint stilaan in zicht te komen).  Afin, omdat ik dan toch mijn doemp ingehouden heb, en ondertussen op een verantwoorde manier aan het trainen ben kan ik u verzekeren dat de conditie en het algemeen welvoelen (happy joy joy!) best wel snor zitten.  En nog snorrer mogen zitten.  Ik hoop het deze keer voorgoed vol te houden.

Dat brengt me dan weeral bij een ander voornemen (die ik niet enkel en alleen voor Nieuwjaar bewaar): tijdens het lopen laat een mens de gedachten steeds de vrije loop, en nadat ik op die wijze een oplossing tracht te zoeken voor de courante wereldproblemen, kom ik dan steevast tot de vaststelling dat mijn sigaretten bijna op zijn.  Het is dan ook een onnozel zicht om in uw bezwete sporttenue het eerste het beste gazettenkot in te duiken om een pakske saffen te kopen.  Gezien ik a) goed bezig ben, en b) al een paar jaar aan het stoppen ben met roken, zal ik (waarschijnlijk) dit jaar nog een halt toeroepen aan dit tijdverdrijf.   Het aanstaande rookverbod voor cafés (waar ik trouwens geheel voor te vinden ben) zal hier waarschijnlijk een stevige hand toesteken.  Waar ik minder voor te vinden ben is de regelneverij en het opgestoken vingertje van de verzuurde medemens, die er slechts voor zorgt dat de non-conformist en misantroop in mezelf een grote aandrang voelt om nog grotere wolken rook te produceren.  Maar dat is uiteraard een andere discussie.  Het gaat ervan komen dit jaar, en deze keer zal ik het ook volhouden.  Ik voel het in mijn knoken longen.  Ik ben immers goed bezig!

Nostalgie?

Op de meest onnozele momenten kan een mens overvallen worden door vlagen van nostalgie.  Neem nu gisteren; ik moest even in Leuven zijn voor een snelle boodschap, maar ben zowat tot ’s avonds blijven hangen.  Het was reeds ja-ren geleden dat ik de Dijlestad bezocht, en quasi onmiddellijk werd ik overvallen door zeemzoete herinneringen aan mijn studententijd, die alleen maar erger werden toen ik “eventjes” een pint ging pakken in een vertrouwd etablissement op de oude markt.  Geweldige tijden hebben we toen beleefd, en ik zweer op mijn  – onschuldig – communiezieltje dat ik deze zomer zeker terugkom, voor een bacchanaal  (’t zal misschien iets minder zijn) for old times sake.

Of neem nu vandaag; daar ik tijdelijk terug bij pa en ma woon (het komt voor in de beste families) ben ik de laatste weken terug zwaar beginnen joggen/lopen/spierpijn hebben in het nabijgelegen Zoniënwoud.  Wanneer het bos, zoals vandaag, mistig en kletsnat is, en aldus vrij van ambetante Brusselaars en hun nog ambetantere loslopende honden (retournez dans votre village!), kan een mens zijn gedachten eens rustig laten gaan.  En zo viel me opeens op dat we daar, aan de kruising van die bospaden, nog ooit een kamp hadden gebouwd.  En ginder, aan de slagboom, probeerden mijn buurmeisje en ik de geheimen van het tongworstelen te doorgronden, niet veel verder van de plek waar ik eens duchtig op mijn gezicht ben gevallen met mijn fietske.

Aaaah, nostalgie!  Niet dat het vroeger beter was; verre van, en ik wil nog minder sentimenteel worden, maar het is en blijft een prima antidotum voor de kwellingen van het heden.